maandag 30 juni 2014

Tekens

Er zijn altijd tekens
niets breekt zomaar
of valt uiteen
verliest zijn samenhang
al is het niet meteen
zelfs het hardste hout
trekt krom
en splitst in duizend
spaanders
niets blijft heel
en op het einde
blijft er niets meer over
geen regenboog
geen lach of traan
de waarheid zelf
is het hardst
gelogen.

© Rudi J.P. Lejaeghere
Onderstroom


Tussen keien door laveren

het leren schipperen in mij
danig tegen liggen
en opwegen tegen de onderstroom
die me leidt, die ik lijd
vloeit me binnen

en keert als een neer
uit de diepte zwemmen
als zalm naar boven
springen in mijn hand

ik de beer aan de kant

sla ze neer
ontferm me over hun ingewanden
en zilveren schubben
praat ze met een mondvol
door

ik hoor het kuitschieten
en bevruchten het broeden
in een woord de zin verzuchten

het bevroeden in mij
is weer vis geworden.


© Rudi Lejaeghere
Bevruchting

Het is het zoemen
naar bevruchting zoeken
het is het lied van de lente
die ik in bomen hoor zingen
het zijn de bijen
het zijn de vlinders
die ik in mijn oren
en mijn vingers vind
en in mijn hart klopt het
als nooit tevoren

enkel in mijn hoofd hoor ik
nog steeds de stemmen
van de winter klinken.


© Rudi Lejaeghere
Beklijvend


Ik wil het zaad en de vruchten zijn,
je kruisbestuiving, een kolibrie
de kurkuma in je mosterd

op zijn minst de lijnen
op het blad
mijn rozemarijn

waar ik woorden
tussen zal schrijven
eeuwig groen
eeuwig beklijvend

gezalfd met het blauw
van lavendel
lucht van de hemel
geperst

uit twee regenbogen
ik wil in je wonen.


© Rudi Lejaeghere
Als nooit tevoren

Over mijn schouder kijk je mee
ik zie jou uit de hoek van mijn rechteroog
een wit skelet, reikend, uit het donker
doemend, het geheel ont(k)leed in
bleek getrokken beenderen
leun niet over mij, leen me wat tijd
het vlees is mij nog niet verdorven

hou de zeis voor het koren
want ik dorst nog altijd naar het brood
en woorden, honger naar de wijn,
bloed dat mij dicht als nooit tevoren

morgen misschien, als het licht in mij
ontwaakt, ik ontsnapt ben aan de wolven
die ik dien - die ik verdien met mate -
ik, een kind van de maan en het water
sta ik op en laat onbevreesd, op een avond,
mijn schaduw bij je achter.


© Rudi Lejaeghere

zondag 22 juni 2014

De deur













Het waren niet de specifieke eigenschappen van ‘de deur’ die mij op een ongewone manier aantrokken. Dagelijks liep ik door tientallen deuren en deed ik net zoals iedereen er evenveel open en weer toe. Daar dienen ze ook voor.

Sinds enige tijd sloot ik ’s avonds nu ook mijn slaapkamerdeur. ‘s Morgens deed ik ze dan weer van het slot om via de overloop, waar er zich nog verschillende kamers bevonden, de trap af te gaan, de voordeur te ontsluiten en mijn dagelijkse krant te halen. Sedert men bij de buren had ingebroken, was dit voor mij meer dan een routine geworden. Het was een checklist die ik iedere avond minutieus afvinkte. De grendels op de voordeur en het sluiten van mijn slaapkamerdeur.

Het was ook niet de eiken deurlijst of de  vergulde klink die als een vreemd gedraaid vraagteken vandaag meer dan anders mijn aandacht trok.

Het was een straal diffuus licht, dat zich midden in de nacht geluidloos door het sleutelgat van mijn slaapkamerdeur boorde. Het licht vormde een lange, uitwaaierende kegel van zwevende, door elkaar dwarrelende stofdeeltjes die ter hoogte van mijn middel in een cirkel openspatten. Hoe ik uit mijn bed gekomen was en midden de kamer beland was, vroeg ik mij amper af. Ik tekende verdwaasd met mijn wijsvinger de omtrek van het geprojecteerde licht na op mijn lichaam en voelde niets. Eigenaardig, want ik had op dat moment het tegendeel verwacht.

Logisch denken om drie uur ’s nachts is nu niet echt de gemakkelijkste opdracht, maar ik wist pertinent zeker dat het nacht was. Ik herinnerde mij zelfs nog dat het vandaag nieuwe maan was, dat was het voordeel van het bezitten van een scheurkalender die dagelijks allerlei nuttige en minder nuttige zaken vermeldde. Pienter van mij! Even twijfelde ik nog of het licht op de overloop was uitgeknipt. Even samenvatten: ik kijk nog even rond op de overloop… licht uit op de gang, licht aan in mijn slaapkamer, deur toedoen en … sluiten. Check , ik was niets vergeten.

Op dat moment namen mijn hersenen met eenparigheid van stemmen de ambigue beslissing dat ik het volgende slachtoffer van de inbreker was… ofwel dat ik droomde. Aarzelend deed ik een paar stappen voorwaarts.

Er zijn personen die beweren dat dromen bedrog zijn, anderen beweren het tegendeel en lezen er de toekomst in of verklaren ze als tekens die we krijgen uit het hiernamaals. Ik daarentegen was een twijfelaar, altijd geweest. Ik bevond me ergens middenin deze twee tegengestelde meningen, net zoals ik mij ook middenin mijn slaapkamer bevond, voor de deur waar uit het sleutelgat licht scheen, licht dat er normaal niet moest zijn! Een vertwijfeld iemand die moest kiezen tussen de inbreker en de droom.

Het kwam me voor dat de tijd, tussen het moment dat de neuronen in mijn brein de opdracht  ‘stap naar de deur toe’ aan mijn voeten doorspeelden, dat die tijd om die volgende meters te overbruggen die mij nog verwijderden van de deur, uitgerekt werd naarmate ik die vreemde lichtbron naderde. Toch voelde mijn hand plots de koelte van de klink in zijn greep.

In dromen moet dat perfect mogelijk zijn, dacht ik. Een droom? Zo stond ik daar, stil, nog altijd weifelend, nog altijd vóór de deur, onbeweeglijk met een vraagteken in mijn hand. De klink voelde minder koel aan dan zopas of was het al langer dan een moment geleden. Er kon ook een uur verlopen zijn. Mijn tijdsbesef was ergens verdwaald tussen de vier muren van de slaapkamer.

Langzaam, alsof aan de andere kant van de deur iemand tegenstand uitoefende - misschien de inbreker - kwam mijn hand in beweging. Tergend traag maakte mijn vuist, de knokkels wit van spanning, een met de cijfers van de klok meedraaiende beweging. Toen pas zag ik dat de sleutel niet op de deur zat! Had ik die weggelegd, eerder deze avond, op mijn nachtkastje? Niet dat ik die gewoonte had. Neen, ik liet hem steevast op het slot, maar in een droom is alles mogelijk, of niet soms?

Ik zweette. Was het van angst of inspanning, ik wist het niet. Maar het liep me wel als peentjes van mijn voorhoofd, enkele druppels in mijn ogen vertroebelden mijn zicht op de dingen, vooral op ‘D I E  D E U R’. Ik hoorde nu mijn angst in druppels vallen op de grond: drup…drup…drup! Op dat moment wist ik het zeker. Dit was geen droom. Toch niet zo’n doodgewone doordeweekse geniet-maar-lekker-doordroom.

Het was een regelrechte nachtmerrie!

Een vreemd woord waarvan ik de etymologie nog eens zou moeten opzoeken, misschien op een geschikter ogenblik, wanneer ik wat meer tijd had…of wakker was. Ik zag in mijn verbeelding reeds een paard in de nacht, hoorde de klank van zijn daverende draf die onheilspellend in mijn oren bonkte. Of was het enkel maar mijn bloed dat vlugger ging stromen. Misschien de druk die in mijn aders onheilspellend toenam en mijn hart dat in mijn keel fladderde als een roffelende trom. Ik zag voor mijn geestesoog een zwarte steigerende merrie met ogen als karbonkels en hoeven die gensters sloegen ergens op de overloop achter de slaapkamerdeur.

Het volgende moment was het alsof in een flits een wit doek over mij werd geworpen. Verblind zwaaide ik met mijn armen om me heen en voelde de steun van ‘iets’ in mijn rug.

Diep in- en uitademen, boven alles ‘blijven’ ademen! Mijn eerste idee boorde zich als een ijskoude priem in mijn gedachten: ik ben overvallen en iemand duwt mij een mes of revolver in de rug. Van angst bevroor ik midden in een beweging, stond daar met gespreide armen als een gek, zwetend standbeeld te trachten vooral ‘niets’ te doen.

Uiteindelijk nam ik vormen waar, niet netjes afgelijnd, maar wazige beelden, net alsof ik tuurde door het deksel van een inlegbokaal of door een venster van rookglas. Voorzichtig, tergend traag draaide ik me half om en keek verbaasd naar wat ik zag over mijn schouder. De deur bevond zich nu achter mij maar er scheen geen licht meer door het sleutelgat.

Moest mij dat nog meer verontrusten? Was ik aan de andere kant van de deur? Dat kon of moest de enige voor de hand liggende verklaring van deze bizarre hocus pocus zijn.

Licht verdrijft spoken beweert men. Is dat wel zo? Ik voelde vormen langs me strijken. Koele onbekende wezens die vreemde woorden en klanken fluisterden, zo zacht als fluweel, die ik net niet verstond, maar toch het kippenvel op mijn armen veroorzaakten. Halfblind, met de moed der wanhoop en de armen stokstijf vooruit gestoken, bijna in paniek, tastte ik het licht af. Mijn handen vonden op lichaamshoogte harde grillige vormen, uitsteeksels die binnenin trilden toen ik ze aarzelend aanraakte.

Op dat moment dacht ik even om mezelf in mijn arm te knijpen. Je leest het in ieder spookverhaal als beproefd middel om te weten of je daadwerkelijk droomt of dat je wegens de pijn wel wakker blijkt.
Maar ik durfde het niet. Mijn hart sloeg nog steeds rapper dan normaal en mijn bloed hoorde ik nog altijd vaag in mijn oren ruisen. De angst was niet verdwenen maar…

Toen werd ik een heel klein beetje nieuwsgierig!

Je hebt van die hagedissen die een derde ooglid hebben. Men noemt dat een knipvlies bij deze beestjes. Zo’n extra ooglid dient als bescherming voor die langstaartige reptielen. Mijn derde ooglid, of ik het nu bezat of niet, ging open. Misschien waren het enkel de dingen rondom mij die opengingen, dat kon ook! Maar wie zou me op dat moment zeggen wat werkelijkheid was en wat niet. Mijn zicht werd langzaamaan weer normaal en wat ik toen zag…was niet mogelijk, kon niet. Helemaal niet!

Neen, ik kon niet wakker zijn. In mijn kamer wàs er geen rotsmassa, met hier en daar tussenin een puntige stalagmiet of een kleine rivier die even verder, tussen twee tegenover elkaar liggende muren meanderde en langzaam omhoog in het plafond verdween zonder sporen achter te laten. Laat staan vissen die heen en weer vlogen over meubels en stoelen als bontgekleurde vlinders in een vlindertuin en dan gewoon weer oplosten, poef… alsof ze er nooit waren geweest.

Doodgemoedereerd stapte er plots uit de linkerhoek een roodbruine draak en keek me in het voorbij waggelen wantrouwig aan, draaide verwaand zijn reusachtige kop en blies een of andere struik in de andere hoek van de kamer in brand vooraleer hij weer in de tegenoverliggende hoek verdween. Waar was die nu heen?

Was dit de grens van mijn fantasie in mijn droom? Zou ik verder gaan op deze weg tot ik badend in mijn eigen zweet, opgelucht wakker werd in mijn bed? Toen zag ik, half verborgen achter een mij onbekende soort palmboom, waarvan de paarse bladeren omhoog groeiden en pikzwarte vruchten droeg,…de volgende deur!

Het besef in mij groeide gestadig naarmate ik traag de volgende stappen zette: dit was geen droom of nachtmerrie, dit was niet het einde, maar misschien wel het begin van een nieuw verhaal.

Rudi Lejaeghere




zaterdag 21 juni 2014

Aan de andere kant

Aan de andere kant

Hoe lijm je scherven
een vaas van kristal
of een zin die uiteenvalt
in stukken van woorden

ongrijpbaar als zand
zo mysterieus
als de wil of de onwil
om te leven en te sterven

ik ben je niet vergeten
dat weet je als de maan
achter de wolk
de sterren aan de andere
kant van de wereld

en schrijf op mijn blad
een luchtspiegeling afgelijnd
als een volzin die voorbij is

na die grens ligt een eeuwigheid
van nieuwe tijden
dagen die ik niet meer tel

een nieuwe horizon waar ik
met volle zeilen naartoe reis
naar ik hoop
ooit nog eens thuis kom.


© Rudi Lejaeghere

We komen allemaal graag terug naar huis. Via allerlei wegen en zijwegen komen we waar we uiteindelijk moeten zijn. Het is niet allemaal rozengeur en maneschijn, maar uiteindelijk hopen we om sterker uit het dal te komen. Het gedicht gaat over deze gedachten. Wat vind jij ervan?