donderdag 28 augustus 2014

Requiem: Hoofdstuk 2 (1e deel)

2



Stephen March knikte bevestigend. Toen de man het witte doek met een tip wegtrok om het lijk te identificeren trok zijn gezicht bleek weg. Hij slikte een paar maal om zijn protesterende maag tot rust te brengen. Zijn zus Suzy was weliswaar bijna onherkenbaar verminkt over het ganse lichaam, maar de kleine tatoeage in haar nek, de rode ronde sikkel rond de groene bol van maretak in de rechter onderkant van de hals zou hij overal herkennen.
Hij zocht werktuiglijk naar iets anders en vond dan ook het kleine litteken op haar afgehouwen linkerhand. Het gekartelde witte littekenweefsel op haar ringvinger was weliswaar minder duidelijk dan toen ze nog leefde en het bloed nog door haar ledematen stroomde. Maar met deze beide herkenningspunten kon hij officieel de bediende van de lijkschouwer bevestigen dat dit onmiskenbaar de stoffelijke overschotten van Suzy Chang waren. Vreemd dat de herinnering aan het litteken Stephen op dit moment, daar ter plaatse in de nabijheid van haar levenloze lichaam door het hoofd schoot. Het litteken was het gevolg van een klein ongelukje met een gebroken glas. Het proberen redden wat toch al verloren was! Was dit het opschrift dat hij op haar graf zou moeten laten etsen?
Zijn halfzus lag naakt, in stukken bij elkaar gepast, als een macabere puzzel op het metalen uitschuifluik van een van de gekoelde bewaarkasten van het stedelijk mortuarium van Sanctuary, de nieuwe zusterstad van Tokio en hoofdstad van de Nieuwe Wereld. Hij wist niet meer wat zeggen, kon zich op dat moment nauwelijks beheersen. Zijn ogen schoten vol en hij slikte moeilijk om de kreet die uit zijn binnenste uitweg zocht te smoren. Zijn hand legde hij onwerktuiglijk als reactie over zijn mond en stond zo een tijd in dezelfde houding. Een zenuwachtige stille stem rukte hem uit zijn verstarring.
‘Sumimasen! Sorry, meneer March. Ik besef dat het voor u moeilijke momenten moeten zijn. Vergeef ons dat we uw familielid op die manier aan u moeten tonen. Wij mochten echter het stoffelijk overschot niet fatsoeneren omdat de gerechtelijke patholoog-anatoom het forensisch onderzoek nog niet heeft kunnen afsluiten. De veiligheidsdienst heeft daartoe tot nu toe nog geen autorisatie gegeven vanwege het lopende onderzoek naar de doodsoorzaak van het slachtoffer.’
De Japanse bediende voelde zich klaarblijkelijk uitermate verveeld met deze situatie. De man wreef bijna voortdurend zijn handen door elkaar in een gebaar van vertwijfeling. Stephen fronste verbaasd de wenkbrauwen en wachtte ongeduldig op verdere uitleg. Als diplomaat kreeg hij dagelijks nietszeggende frases en bombastisch getinte uitleg te horen, soms tegen wil en dank, maar dit ging zijn begrip helemaal te boven. Hij bekeek de man die het duidelijk heel moeilijk had.
Een hulpje, een boodschapper? Van deze man met zijn keurig gekamde haar met de scheiding in het midden en met een zenuwachtige tic rond de linker mondhoek kon hij niet veel verwachten. Gelukkig had de man de stoffelijke resten van Suzy weer bedekt en had hij de schuif weer toegedaan, want er welde in de tijd dat hij de identificatie had gedaan iets omhoog in Stephen. Het zien van het lijk, de herkenning en de flitsen van een levende Suzy. Het was iets dat hij nauwelijks in de hand had.
Daarom moest Stephen ergens zijn boosheid kwijt en hij richtte die op de man voor hem.‘Ik veronderstel dat het in stukken rijten van een mens “de” doodsoorzaak moet zijn of niet soms?’ vroeg hij bits snauwend, zijn verdriet en verwarring verhullend, toen de man niet direct antwoordde.
‘Ie!’ antwoordde de man ontkennend in het Japans, toen hij plots besefte dat Stephen een Amerikaan was. ‘Neen,…euh, ja…..Ik bedoel, voor zover ik het heb begrepen zijn de mutilaties post mortem toegebracht, dus ná het overlijden van uw zus, meneer March. Misschien kan deze vaststelling u een beetje troost bieden op dit triestig moment. Mogelijks heeft uw zus dan toch niet zoveel geleden als op het eerste zicht…ik bedoel zoal het nu lijkt.’
Stephen vermoedde dat de man hem probeerde te kalmeren en voelde dat de bediende enkel maar zijn beste beentje probeerde voor te zetten. De man had niet het recht om zo behandeld te worden. Kunt u me misschien vertellen wie werd aangesteld om het moordonderzoek te leiden en wie de verantwoordelijke lijkschouwer is? Waar kan ik met al mijn vragen terecht?’ vroeg een vermoeide en aangeslagen Stephen March nu iets minder kwaad. De ongeduldige klank en boosheid die nog steeds in zijn stem klonk, kon hij echter niet verbergen. Het was de woede om de onmacht in gans de situatie. Het was het opborrelend besef van een definitief verlies van een stuk van zijn eigen leven.
‘Oh ja natuurlijk,’ reageerde de bediende nerveus. ‘Hoofdinspecteur Norino Vastai heeft deze zaak onder zijn vleugels genomen. Als iemand het beest kan vinden dat deze onmenselijke moord heeft gepleegd, dan is hij het wel. Ik denk dat de heer Vastai ieder moment hier aanwezig kan zijn,’ vertelde de zenuwachtige man terwijl hij voor de zoveelste maal zijn uurwerk raadpleegde.
‘De lijkschouwer, de heer Huang, heb ik zopas zien aankomen toen u zelf aan de inkomstbalie stond,’ kreeg Stephen nog mee als bijkomende informatie. ‘Die had hier een afspraak met de heer Vastai om tien uur. Dus u kunt met hen beiden tegelijkertijd kennis maken…als u dat belieft. Als u me wilt volgen?’
Hij leidde Stephen via verschillende gangen naar een kleine ruimte waar een tiental gemakkelijke stoelen en een laag tafeltje stonden. Een soort wachtruimte veronderstelde hij, sober en onpersoonlijk. Een deuntje muzak verbrak de ongemakkelijke stilte in de kamer.
‘U kan hier een momentje wachten, ik verwittig mijn overste de heer Huang en hoofdinspecteur Vastai dat u hier bent.’ De bediende was blijkbaar opgelucht dat de schokkende identificatie achter de rug was en zijn taak erop zat. Hij groette kort en verdween spoorslags.
Stephen zuchtte luid en steunde vermoeid zijn hoofd in beide handen. Niettegenstaande hij met zijn een meter tweeënnegentig en zijn honderd kilo, een reus van een vent was, zag hij er zoals hij daar nu zat, gebogen schouders en zijn hoofd in zijn handen uit als een gebroken en eenzaam man. Een paar dagen terug was hij nog onwetend over het drama dat hem te beurt zou vallen. Gisteren in de vroege morgen toen hij geland was op de luchthaven van Sanctuary na een langeafstandsvlucht uit de Oude Wereld met tussenstop in de luchthaven van Zaventem – hij had in Brussel nog een afspraak had met de plaatselijke ambassadeur – wist hij nog niet dat hij zijn diplomatieke missie zou beginnen met het identificeren van het lijk van zijn dode halfzus.
Zijn gedachten zweefden weg als een meeuw over een zee van tijd, naar een moment ergens dertig jaar terug. Rond deze tijd was zijn vader Thomas March voor een tweede maal in het huwelijk getreden. Na een geslaagde diplomatieke missie in het Oosten had hij een vrouw leren kennen en een tweede leven opgebouwd. Zijn nieuwe vrouw heette Kathy Chang.
Thomas’ eerste vrouw, Maddy Silverstone, was vijf jaar daarvoor gestorven. Het was een korte en ongelijke strijd geweest. Botkanker, veel te laat vastgesteld en met metastasering over het ganse lichaam. In een tiental weken was zijn lieve Maddy Silverstone als een uitgemergeld wezen, niet meer te vergelijken met de schoonheid die ze ooit was, heengegaan.
Stephen had aan dit nieuwe huwelijk wel een zusje overgehouden. Haar naam was Suzy en zij was het kind van Kathy Chang en haar eerste man.
Een nietsnut  die zijn stiefmoeder vier maand zwanger van zijn kind had laten zitten en met de noorderzon was verdwenen. Jaren later had Kathy nog een enkele keer van hem gehoord. Het was toen ze las dat hij vermoord was tijdens een uit de handen gelopen schermutseling tussen twee jeugdbendes. Zijn verdiende loon had ze toen boos en verbitterd gedacht.
Suzy Chang was het resultaat van deze relatie, een klein tenger meisje van tien jaar, even oud als Stephen. Ietwat verlegen met een ontwapende geheimzinnige glimlach en pikzwart haar dat in een lange paardenstaart was gevlochten. Zo zag Stephen haar op dit moment in zijn herinnering. De tatoeage van de rode sikkel om de groene maretak in haar nek was hem toen ook al direct opgevallen. Wanneer hij haar vroeg wat het betekende had zij simpelweg maar fier met één woord geantwoord:

‘Akai!’

Later had hij via zijn stiefmoeder en Suzy zelf meer vernomen over deze groep van mensen, over hun speciale manier van leven, waar zij in geloofden en over de regels van hun leer waar zij zich zo goed mogelijk aan hielden tijdens hun leven als Akai.

Helaas waren Stephens vader en stiefmoeder zes jaar geleden overleden. Zij waren de onfortuinlijke slachtoffers geworden van een ongeval met een nieuwe prototype glider of autobot. Het nieuwe transportmiddel bevond zich toen nog in de testfase. Zoals dikwijls bij nieuwe dingen gaat er soms wat mis. Die ene keer voor Thomas March en Kathy Chang met desastreuze gevolgen. Nu bleef hij nog alleen over, zijn familie was er niet meer. Hij voelde zich letterlijk en figuurlijk verweesd. De eenzaamheid die hem plotseling overviel en als een groot gewicht op zijn schouder rustte, was zo tastbaar dat hij nog dieper doorzakte in zijn stoel.

zaterdag 23 augustus 2014

's Avonds















Hoe kan de boeman huilen
het kwaad in zich verhuld
in ogen is het ijs zo blauw
geschilderd
de mond van tanden scherp
geknauwd

’s avonds in de kast op zolder                                                   
rood in ledematen sterk verdund
vampiers die muilen, snauwen
kelen houwen, niets is heilig
kerk of kruis, het huis benauwd

kwaadaardig lijkt de schaduw
schuilt zich achter het behang
de mond gesnoerd,
de maag op hol,
’s avonds ben ik toch zo bang.


© Rudi J.P. Lejaeghere

woensdag 20 augustus 2014

Requiem: Hoofdstuk 1












REQUIEM


1



Ik sta verweesd te kijken naar de beide zilvergrijze urnen op het stalen vlak in het grasveld. Het miezert, maar ik heb het niet echt in de gaten. De motregen vermengt zich met mijn stille tranen en vloeit langs mijn van verdriet vertrokken gezicht. Ik wil en zal me sterk houden, maar niets is moeilijker.
Mijn doorweekte haar plakt als een slak in mijn nek. Waar mijn ouders ook mogen zijn, in deze urnen of als een onsterfelijke ziel in een of andere dimensie, mijn gedachten zijn bij hen. Ik ben noch atheïst noch een overtuigde pilaarbijter, maar hoe langer ik op deze aardbol rondloop, hoe meer ik twijfel aan het bestaan van een Opperwezen. Sommigen noemen dit wezen God, sommigen geven Hem een andere naam. ‘Als’ Hij bestaat en macht of invloed op onze wereld heeft, als Hij enigszins de kracht heeft om in te grijpen, dan mag zoiets niet gebeuren.
Beelden schieten door mijn hoofd. Een namiddag in de sneeuw met mijn vader waar we een reuzensneeuwman maakten met alles erop en eraan. De mooie zwarte haren van mijn moeder die ik als klein kind graag borstelde. De vele levenswijsheden die ik met de paplepel meekreeg van mijn beide ouders.
Een God die dit toelaat, wil ik vandaag niet kennen. De mens die hiervoor verantwoordelijk is, ken is des te beter. Het is het enige wezen dat de mogelijkheid bezit om zijn eigen soort zonder wroeging te decimeren, te verkrachten, als een beest af te slachten en te vierendelen. Het enige levende schepsel dat in één handomdraai zijn eigen soort uitmoordt en zonder omkijken, zonder ook maar even stil te staan bij zijn onomkeerbare daad, net alsof er niets gebeurd is, weer verdergaat.
De stoffelijke resten van mijn ouders, twee maal een paar handvol as, dalen in hun respectievelijke urnen geluidloos onder de grond. Een kleine koperkleurige plaat, niet zo groot, waar in kleine letters hun naam, geboorte- en sterfdatum op gedrukt staat, schuift automatisch over de ruimte en neemt hun plaats in. Het lijkt mij als een misplaatste goocheltruc: nu zie je ze nog….dan niet meer! In mijn hart zullen ze echter nooit verdwijnen.
Arturo Mitsukai en zijn vrouw Sachiko Matai waren een gewelddadige dood gestorven. Geweld is weliswaar van het begin van het bestaan van de mensheid een onmiskenbaar gegeven. De overlevingsdrang die in onze genen verankerd zit, kan men er moeilijk uitsnijden als een tumor of een gezwel. Het is eigen aan onze maatschappij en in ons gebrand als een merkteken. Zowel bij de mens of in de samenleving is er één regel, één wet die nog steeds geldig is. De wet van de sterkste! Soms is het resultaat van deze wet recht evenredig met het gebruik van de macht van de persoon die het geweld hanteert. Helaas zijn er mensen die enkel maar dit antwoord kennen, die maar luisteren wanneer ze een harde hand voelen. Een andere keer is de gebruikte agressie zo excessief dat de meerderheid het ronduit afkeurt omdat het zijn doel voorbijschiet. Maar wanneer dat stukje perverse bruutheid je persoonlijk aanraakt, verandert het je voor altijd. Het is een kankergezwel dat steeds maar groeit en op een bepaald moment als een overrijpe puist openbreekt. Met alle rampspoedige gevolgen van dien. Het kruipt in je hersens, het nestelt als een virus in je gedachten, een worm die onherroepelijke schade aanbrengt.
Vrienden en kennissen van mijn ouders, sommige die ik ooit wel eens had gezien, mensen van het boekhoudingkantoor waar ik werk, andere volledig vreemden voor mij, hebben zojuist hun deelneming betuigd in een stilte die beladen is door de wijze waarop mijn ouders letterlijk en figuurlijk uit het leven zijn gesneden. Ik mag het mij gewoon niet voorstellen, mijn gedachten moet ik met alle kracht proberen weg te duwen in een apart hoekje waar ze even mogen sluimeren in stil verdriet. Daar ga ik ze een tijd bewaren tot op het moment dat de tijd er rijp voor is. Dan, op het moment dat het nodig is, ga ik deze gevoelens weer opdiepen. Nooit zal ik vergeten wat mijn ouders werd aangedaan, nimmer zal ik de dader vergeven!
Mijn naam is Yukiko Mitsukai en vandaag beloof ik vergelding voor deze moorden. Ik beroep mij op deze bloedeed. Het is de wraakneming, de vergelding die de enige uitzondering is op de vredelievende leer van de Akai. Als het in deze omstandigheden niet kan, als deze belofte op dit moment niet aan de orde is, dan zeg ik dat is er geen enkele reden is voor het bestaan van dit gebruik bij de Akai.
Uitzonderlijke omstandigheden eisen uitzonderlijke maatregelen, dat hebben jullie mij geleerd. Zo waar als ik jullie dochter ben, zal ik jullie moordenaar zoeken, vinden en opjagen, waar hij zich ook mag verschuilen. Al moet ik zoeken aan de andere kant van de wereld of in de diepste krochten van de hel, hij zal mij niet ontsnappen. Al duurt die zoektocht tot ik zelf sterf of men mij doodt. Ik zal in de loop van dat proces alles trachten te gebruiken wat jullie mij hebben bijgebracht om mijn doel te bereiken. Want zoveel dat nu van mij is, komt van jullie. Wat jullie mij hebben geschonken is onschatbaar. Iets waarvoor ik eeuwig dankbaar moet zijn en ook ben.
Mijn handen en voeten zullen mijn wapens worden, mijn geest zal harder en scherper zijn dan het staal van een zwaard. Ik hoop dat mijn wraak jullie beiden zielenrust kan schenken. De dood van jullie moordenaar zal in niets vergelijken met wat hij jullie heeft aangedaan. Dat en niets minder beloof ik! Zowaar ik ‘Akai’ ben in hart en nieren.



……….



Arturo Mitsukai knipte beheerst en vakkundig hier en daar een blaadje uit een prachtig bloemstuk. Arturo was in de winter van zijn leven. Zijn leeftijd, moeilijk in te schatten, zou men hem zijn vijfenzeventig jaar nauwelijks toeschrijven. Arturo liep nog altijd even kaarsrecht als vroeger toen hij nog een kwieke en trotse jongeman was. Zijn stap was zelfs nu nog steeds zelfverzekerd en vast. Misschien ietsje trager dan vroeger. Zijn kort geknipt witgrijs haar was een natuurlijke vingerwijzing naar de vele jaren die hij telde. De wijsheid die uit zijn ogen straalde en de sereniteit in de woorden als hij over iets sprak, getuigden van een jarenlange ervaring maar ook van een gegronde kennis van zaken. Zijn lichamelijke conditie was tiptop, daar zorgde hij zelf iedere dag zelf. Arturo Mitsukai liep iedere voormiddag een kleine vijf kilometer, buiten als het mooi weer was en anders op de loopband, die hij jaren geleden had aangeschaft. Hij fietste tevens regelmatig aardig wat afstand op zijn fiets of hometrainer in zijn hobbyruimte. Een gezonde geest in een gezond lichaam was voor hem zeker geen lege frase.
Zijn grootste passie was echter zijn serre met exotische flora. Arturo had een ruime verzameling aan bloemen én planten. Van tientallen soorten orchideeën, waaronder de hybridensoorten Cymbidium, Vanda en Phalaenopsis tot bromelia's van verschillende geslachten zoals Billbergia, Guzmania en Aechmea. Ook yucca’s en andere tropische planten sierden zijn ruime serre. In het begin, toen hij met enkele plantjes begon, had hij het soms moeilijk om de ene soort van de andere te onderscheiden. Nu na al die jaren zoeken en er iedere dag met hartstocht mee te werken, kende hij ze zelf bij hun volkse én Latijnse naam.
Orchideeën, vertelde hij soms aan vrienden, gedijen in een hoge luchtvochtigheid. Daarom passen ze perfect te samen met planten met een grote bladmassa. Hij vertelde hen ook dat orchideeën epifytisch zijn, wat wil zeggen dat ze op andere planten kunnen groeien. Daarom worden ze met een speciaal substraat op een schors gebonden. Om een natuurlijk effect te bereiken, kan men er zelf een soort boom van maken en dan combineren met bijvoorbeeld de bromelia’s die hij kweekte. Serrebouw en zijn toepassingen kende voor Arturo maar weinig geheimen meer en soms liep hij bij een toevallige bezoeker over van enthousiasme. Het werd hem met alle begrip voor de hartstocht voor zijn levenswerk vergeven.
Een leek in het vak zou niet begrijpen wat hij nu deed. Waarom hij met tederheid en liefde nog versgroene bladeren en soms ook af en toe een bloeiende bloem – stukjes die leven vertegenwoordigden - aan het verwijderen was uit een bloemstuk? Men zou kunnen denken dat dit een daad van nutteloze verminking was, een vernietigen van een stukje natuurlijke schoonheid. Waarom hij het groene blaadje en de afgesneden bloem met tederheid apart in een bakje legde zou evenzeer vreemd overkomen. Straks zou hij een gepaste bestemming vinden voor deze verzameling van uitgeknipte bloemen en verwijderde plantendelen.
Deze bladeren, bloemen, betekenden nieuw leven. Meststof voor een andere bloem of plant. Hun cyclus van verval was een deel van de kring van het leven van een andere plant of bloem. Dit was één van de wegen die de Akai bewandelden. Akai of rood in het Japans stond voor de zon op hun vlag de Hinomaru. Dit betekende zonneschijf en zij kleurde nog altijd hun nationale banier . Voor de Akai was die zon de bron van leven en groei.
De sterkte en de esthetiek van een bloem mag niet ondergeschikt zijn aan de kwantiteit van de bloesems en het groen van het blad. Afhankelijk, dat wel, van het aantal en de grootte van de bladeren die voor elke soort bloem verschillend was. Zo groeit en bloeit een bloem, een plant in al zijn pracht en praal. Verspilling was een zonde tegen de regels van de natuur. Deze levenswijze van de Akai zorgde voor evenwicht, balans en gemoedsrust in de planten- en bloemenwereld, zo ook bij de flora in de serre van Arturo  Mitsukai.
Deze manier van denken kon in een aantal gevallen doorgetrokken worden voor sommige levenswaarden bij de mens. Soms kan men bij zichzelf bepaalde kwaliteiten beter ontwikkelen door zijn gekende zwakheden bij zichzelf om te zetten in positieve krachten. De kracht van een mens is maar zo sterk als zijn grootste zwakheid. Door deze weg te gaan en te bewerken, verbetert de mens zichzelf als een geheel. Door aan zijn mindere goede kanten te werken, versterkt men het totaalbeeld van zichzelf.
Toen de deur van de serre openging en de kilte van de avond even zijn frisse adem blies over de rug van Arturo, keek hij niet om. De geur van jasmijnthee kwam hem tegemoet in de persoon van Sachiko Matai, zijn levensgezellin. Net als hij was ze gekleed in een sober zwart-wit ensemble dat haar lichte huid extra accentueerde. Een huid als zijde die hij zo goed kende, een lichaam dat hij nog altijd begeerde. Zijn liefde voor Sachiko in het laatste seizoen van zijn leven was weliswaar niet meer getekend door de felle kleuren van de hartstocht of door de onstuimigheid van de jeugd. Nu kende hun relatie de zachte diepgang van de beheersing, een eigenschap die eigen is aan hun ouderdom en de kennis van hun onvoorwaardelijke liefde voor elkaar. Het bewijs hiervan leverden ze al zoveel jaren, zoveel dagen te samen in voorspoed en tegenslag.
Het spreekt voor zichzelf dat men zoiets pas na lange tijd bereikt. Samen de weg van het leven te mogen gaan is een voorrecht waarop men terecht trots mag zijn. Het is weliswaar een avontuur van vallen en opstaan, een proces van leren en begrijpen, van geven en nemen. Periodes van geluk en rampspoed wisselen elkaar af zoals in elk mensenleven, maar telkens helpt men elkaar er weer terug bovenop. Dat was de kern van hun liefde. Het was niet altijd een even gemakkelijke weg, maar die leidde uiteindelijk steeds weer naar het dagelijks genieten van de diepe genegenheid tussen een man en een vrouw.
Met een liefdevolle glimlach als stille bedanking, nipte hij aan de hete jasmijnthee die zij voor hem had meegebracht. Hij prefereerde dit soort thee, niet alleen omdat hij het de beste geurthee vond, maar ook omdat de thee gemaakt werd door jasmijnbloemen te leggen tussen de bladeren van groene thee. Dat vond hij symbolisch in evenwicht met zijn hobby, met zijn honderden bloemen en planten die hij kweekte in zijn serre.
Eigenlijk was de thee die hij dronk van Chinese oorsprong waar men tien kilo jasmijnbloemen gebruikte om ongeveer één kilo jasmijnthee te bekomen. De thee had bij Arturo een kalmerende invloed en werkte ontspannend. Het bevorderde tevens zijn spijsvertering, wat op zijn leeftijd wel degelijk van belang was. Daarom was hij altijd dankbaar voor de jasmijnthee die zijn vrouw hem iedere dag zonder fout bereidde.
Hij vond Sachiko Matai nog steeds aantrekkelijk en slank, al was zij amper vijf jaar jonger. Bij verschillende gelegenheden vertelde hij haar dat ook. Echte liefde en genegenheid wordt uitgedrukt in woorden én daden. Soms na jaren van stilte of het blindelings aannemen van een vaststaand feit, verdwijnt die vanzelfsprekende genegenheid met mondjesmaat en op een moment is het op, is het op een dag volledig weg.
Sachiko veroorloofde het zich op haar leeftijd haar grijze haren zwart te kleuren. Sachiko deed dit om haar man te plezieren en niet uit persoonlijke ijdelheid. Dat zou een zonde zijn voor een Akai. Arturo had ooit verteld dat als hij haar voor de eerste keer ontmoette dat het haar zwarte lange haren waren die hem het eerst opvielen. Hij viel eerst voor haar zwartglanzende haar, dan voor haar stille glimlach die altijd in haar ogen blonk en toen hij haar echt leerde kennen als zijn toekomstige echtgenote viel hij voor de vrouw Sachiko zelf.
Het was al zo lang geleden. Vervlogen tijden en toen was ze nog zo’n jong en onwetend kind.  Nu stopte ze als volwassen vrouw haar haren op in een knotje, maar ’s avonds in de intimiteit van hun slaapkamer maakte zij het los en streelde Arturo nog immer met evenveel liefde en genegenheid door haar ravenzwarte lange haar vooraleer hij haar welterusten kuste. Sachiko had nog nooit in haar leven iets van make-up gebruikt. Haar man zei trouwens telkens dat ze een soort van natuurlijke schoonheid bezat, waarbij ze iedere keer na het kleine complement nog steeds bloosde als het jong meisje dat ze ooit geweest was.
Nog voor Arturo zijn kopje thee had opgedronken, doofde het licht in de serre en gebeurden er verschillende zaken tegelijk. Arturo en Sachiko werden beiden verrast, zowel door de duisternis als door de vreemde geur van de spray die uit de vernevelingsproeikoppen kwam. Geschrokken wilden ze samen naar de uitgang van de serre rennen maar hun voeten weigerden dienst na een paar wankelende stappen. De wereld begon als een wazig beeld voor hun ogen te draaien en ze bleven wankelend staan, steun zoekend bij elkaar. Die laatste passen die hen verwijderden van de zuurstofrijke en bevrijdende avondlucht werden hen echter niet meer gegund.
De afgelijnde omtrek van de serredeur verdween in een steeds donker wordende mist voor hun ogen toen ze beiden bewusteloos neervielen tussen hun orchideeën, lelies, bromelia’s en andere exotische planten die iedere dag in hun liefde deelden.



……….



Langzaam kwam de wereld terug in diverse gradaties van pijn. Het klopte als een zeurend bonzen achterin zijn hoofd, een kniezen in zijn tanden, een droge keel die om water smeekte en zijn oude botten die blijkbaar op verschillende plaatsen gekneusd waren. Het was een uiterst gekweld gevoel over gans zijn lichaam dat ontwaakte uit de verdoving.
Arturo kreunde zacht toen hij zijn ogen opende. Het licht was te helder, flitste pijnlijk als het scherp van een mes door zijn geest waardoor hij zijn hoofd uiterst voorzichtig naar rechts wendde. Tot zijn grote ontzetting en vrees zag hij dat zijn vrouw Sachiko zich in dezelfde omstandigheden bevond.
Net als hij was ze met beide handen en voeten vastgebonden op een stoel. Ze zat naast hem binnen handbereik. Was hij niet geboeid, hij kon ze zo aanraken. Zo dicht en toch zo ver van elkaar. Gekneveld met een vuile doek was ook zij langzaam aan het bijkomen en keek verbaasd en angstig om zich heen. Een verraste en verontruste blik verscheen in haar ogen toen ze Arturo opmerkte.
Toen gleden de eerste muzikale klanken door de ruimte waarin ze vastgebonden waren. De tonen zinderden als gloeiend hete kolen door hun ontwakende lichaam. Zowel Sachiko als Arturo, die in andere omstandigheden beiden een stukje goede klassieke muziek konden smaken, kwamen verward weer bij bewustzijn op de klanken van een somber Requiem.
Dat is een stuk van Mozart, schoot het Sachiko door het hoofd, bijna tegelijkertijd toen haar man het muziekstuk herkende. De bekende woorden klonken tot hen door, maar een kloppende hoofdpijn verhinderde beiden om zich over deze muziek te verbazen . Feiten vermengden zich met hun gekwelde gevoelens.
Het Requiem van Mozart was het laatste en onvoltooide werk van de Meester, gecomponeerd op zijn ziekbed. Het was figuurlijk en letterlijk zijn laatste compositie geweest, zijn requiem. Een van die futiele feiten die door de geest van Arturo schoot. Iets dat er nauwelijks toe deed op dit moment. Hij wist dat Frans Xaver Süssmayr deze onvoltooide compositie van Mozart tot een legendarisch meerstemmig muziekstuk had gecomponeerd.
Waarom Arturo nu juist daaraan dacht, wist hij niet? Gewoon een neurotransmitter die wat informatie via een synaps in het hoofd van een mens doorgaf. Een chemische reactie op een moment dat andere zaken in hun penibele situatie veel belangrijker waren.
Ze hoorden de klanken  en de woorden van het Lacrimosa, het zesde deel van het Requiem van Wolfgang Amadeus Mozart uit diverse hoeken van uit de muren dreigend op hen toestromen.

Lacrimosa
Dies Illa,
Qua Resurget
Ex Favilla
Judicandus
Homo Reus,

Op die dag van tranen,
Waarop de schuldige mens
Uit de as zal verrijzen
Om beoordeeld te worden

Een theatraal figuur gekleed in een wijd wit gewaad kwam de kamer binnen en danste plots als een onwezenlijk spook met zwierende gebaren rond hen heen. Arturo en Sachiko volgden het wezen met angstige ogen. Op iedere toon van het doodslied zwaaide hij met een samoeraizwaard rond hen, tussen hen, raakte hen tijdens die macabere dans tenslotte af en toe met trefzekere slagen. Het opgeblonken wapen weerkaatste het licht bij elke beweging en bij elke slag. Flitsende slagen om te verwonden, nog niet om te doden. Als de maatstok van een dirigent hanteerde de witte geest het vlijmscherpe wapen op de klanken van het lied, als een meester vilde en schilde hij op het ritme van de muziek.

Lacrimosa
Dies Illa,

Snijden en kerven. Stoten en draaien. De knevel smoorde voor een deel het schreeuwen van de pijn, hun gesmeek om genade. Het bloed vloeide echter met iedere noot, meer en meer in een somber crescendo, in een dreigende climax. Het witte kleed dat hun beul droeg werd rood, doorweekt van het bloed op de klanken van de sombere muziek. Het lied leidde naar een onmenselijk tragische maar zekere dood. En de dood danste als een duivel om hen heen!

Qua resurget
Ex Favilla
Judicandus
Homo Reus,

Huic Ergo Parce Deus
Pie Jesu, Domine,
Dona Eis
Requiem.

Wees hem dan genadig,
O god!
Lieve Jezus, Heer,
Geef hun rust.

Het leven van Arturo Mitsukai en zijn echtgenote Sachiko vloeide nu heel vlug in stromen uit hen weg. Hun lichaam was toegetakeld en stukken huid hingen onwezenlijk in flarden aan hun lichaam. In hun met bloed doorlopen ogen was er geen hoop, bijna geen licht meer. Enkel een sputterend waakvlammetje dat ieder moment dreigde uit te doven.

Dona Eis Requiem.

Een smeekbede! Geef hun rust! De witrode nachtmerrie die helaas geen droom was, rechtte zich in al zijn kracht op, klaar voor de laatste noten. Het zwaard hoog boven zich geheven en op het woord ‘Requiem’ haalde hij met alle kracht uit voor de laatste slag waarbij hij met een vloeiende beweging in één slag met de vlijmscherpe Nihonto zijn beide slachtoffers onthoofdde.
Het laatste gezongen woord van het Requiem schreeuwde de gestalte nog luider dan de stemmen van het koor verschillende keren mee, terwijl de hoofden van Arturo en Sachiko op de grond voor zijn voeten rolden als een uiteindelijke bevrijding van hun lijden. Zijn ultieme bevrediging, hun vergiffenis in de dood!


‘Amen, Amen, Amen!’ 




Brugse kant












In vlugge handen, tussen vaardige vingers
draaien de klossen in paren, het kant en het garen
in slagen geteld, de spelden houden het samen
op het kussen is de vorm al voorgesteld

de kanten mutsen op buigende hoofden
beloven het fijnste van het fijne werk
de freules en dames in voile en zijde
gesterkt door kapsones, kopen ze wel

het knopen en smijten, de scharen die snijden
buigende ruggen en eeltige kneukels
het geduld van de zittende vrouwen
in een stukje kant van het oude Brugge.


© Rudi J.P. Lejaeghere

zondag 17 augustus 2014

Requiem: P R O L O O G

R E Q U I E M : P r o l o o g

Na ampele overwegingen, heb ik uiteindelijk besloten om mijn verhaal 'Requiem' op het net te posten. Via deze blog zal ik wekelijks een hoofdstuk publiceren. Zoals ik reeds in een vorig bericht liet weten waar ik reeds de synopsis had gepost, bestaat 'Requiem' uit een proloog, 50 hoofdstukken en een epiloog. Goed voor één jaar lang leesgenot, enfin voor deze die het kunnen smaken.
Hoe meer zielen, hoe meer vreugde, dus jullie zouden mij veel plezier doen, door publiciteit te maken voor 'Requiem'. Ik ben ook altijd bereid om te antwoorden op eventuele vragen.
Veel leesplezier en hier volgt nu REQUIEM: P R O L O O G

 REQUIEM
Rudi J.P. Lejaeghere

IN MIJN HOOFD

Ze leiden stil hun eigen leven
zij die zich fluisterend
een weg banen langs mijn oor

hoezeer ik naar hen luister
nog ontsnappen ze door
de mazen van mijn brein

hoe zal het trouwens zijn
wanneer ze zich versmelten
met het waas van beelden
dat zich op mijn netvlies brandt

zal het geraaskal waarin ik hen
aan mijn lippen verlies
lang genoeg
in de ruimte blijven hangen

zal het geluid van hun echo
zich verzetten aan de hardheid
van mijn blad papier.


Rudi J.P. Lejaeghere
Uit de dichtbundel ‘Perpetuum Mobile’





PROLOOG


We hebben allemaal heel wat kamers in ons hoofd. Het is een groot huis waar we in de ene kamer onze goede, soms ook onze slechte herinneringen bewaren. Een andere kamer is vermoedelijk alleen bestemd voor feitelijke gegevens of data zoals gezichten, namen, telefoonnummers en een stuk of wat belangrijke adressen. Misschien is er zelfs eentje waar we onze ideeën over diverse geuren, kleuren en smaken in sparen. Sommigen beweren dat er zeker een plaatsje is voor de momenten van genot in een stuk lekkere chocolade of een glaasje goede whisky.
De meeste mensen bezitten een heel apart kamertje. Daarin stoppen ze alle leed, verdriet en pijn, hun donkerste gedachten. Daar rangschikken ze in een speciaal vakje het schielijke overlijden van een verongelukte zoon of de zelfmoord van hun dochter van achttien. Voor een ander is het de plaats waar men zijn herinneringen aan het aftakelingsproces van een zieke vader of moeder wegstopt. Er zijn krochten, griezelkamers en spiegelpaleizen in onze bovenkamer, elk op zich voor een ander doel. Soms is het gewoon een hoekje om zijn angst voor spinnen en slangen te verbergen of haar schaamte en afkeer voor een andersgezinde te verdoezelen. Niet te vergeten, ergens links achter een dik gordijn verschuilt zich de aversie voor anders denkende mensen. Klaar om onverwachts toe te slaan, ligt dit monster klaar, een beest dat afkeer heeft voor alles wat vreemd is of anders lijkt dan hijzelf.
De mens sluit bewust al deze deuren en bergt de sleutels veilig op in een kluis die hij voor alle veiligheid in de kelder van zijn geest begraaft. Ergens op een plaatsje in zijn hoofd waar enkel hij aan kan. Geheimen en opgekropt verdriet bewaren het best achter gesloten deuren.
Soms heb je mensen die de deuren van hun kamers wijd open laten staan zodat iedereen kan binnenkijken. Zodanig wijd, dat hun smart en pijn via een rivier van tranen uit hun ogen wegvloeien. Hun mond trekt wagenwijd open terwijl ze huilen als een wolf naar de wassende maan. Ze krabben zich van onmacht het bloed van onder hun nagels. Extrovert in hun gevoelens, zoals deze mensen zijn, willen ze de hele wereld deel uit laten maken van het leed dat hen wordt aangedaan, getuigen ze dag na dag van de beproevingen die zij moeten doorstaan.
Op een bepaald moment raken de kamers in ons hoofd overvol. Bij deze personen waar geen kamer meer onbezet is, waar de deuren bol staan van opgekropte gevoelens en talloze spoken hen wakker houden in de nacht, gebeurt op een dag het onvermijdelijke. Sommigen vinden nog in een laatste dubieuze poging een oplossing in antidepressiva of tranquillizers. Anderen zien gewoon geen weg terug uit hun persoonlijke hel en stoppen op een bepaald moment de loop van een .357 Magnum of hun dubbelloops jachtgeweer in hun mond en halen met gesloten ogen de trekker over. Is het uit schaamte dat ze hun ogen sluiten of om hun laffe daad niet te moeten zien?
Het zijn maar enkele van de pijnlijke vragen waar familieleden of vrienden nog jaren na hun dood mee zullen worstelen. Onbegrijpelijk, klinkt het uit hun mond! Hoe kan het dat we dat niet zagen aankomen? Toch gebeurt het zo dikwijls dat men het niet meer als toevallige gebeurtenissen kan classificeren. Er zijn er die zich met een overdosis rotzooi uit de wereld spuiten en met een laatste kick de vlam uitblazen en tegelijkertijd een hoop brandende problemen zo maar in enkele ogenblikken laten uitdoven. Enkele moedige karakters werpen zich als zombies voor de trein van halfnegen. Dappere mensen die het ultieme geduld nog kunnen uitoefenen, rekening houdend met de eeuwige vertraging van het treinverkeer. Weer anderen snijden zich als penitentie gelovig een kruis in hun polsen en wenen als boete het bloed uit hun aderen.
De man die zich hulde in het halfduister, ergens diep onder de grond, veilig in zijn zelfgebouwde schuilplaats had daarover zijn eigen mening. Af en toe werd zijn figuur als een schim door het licht van de kaarsen op de muren afgeschilderd. Een wit laken dat zijn gezicht verborg, behalve twee waanzinnige ogen die gloeiden als kolen in het schaarse licht, gaven hem het uitzicht van een spook in de nacht. Hij zou nooit kiezen voor die gemakkelijke weg van verslagenheid en overgave. Noch vandaag, noch morgen! Net zoals hij in deze wereld voor zichzelf en zijn praktijken een plaatsje had ingericht, was er een extra kamertje in zijn hoofd. Een heel speciaal ingerichte ruimte. Een kamer, afgesloten met een dikke deur. Eentje zonder sleutelgat en met geluiddichte wanden. Daar hoorde hij de stemmen!
Een ingewikkeld mechanisme beschermde de toegang tot deze locatie. Alleen hijzelf en de stemmen waren getuigen van wat er zich daar allemaal afspeelde. Gelukkig maar voor zijn vrienden en collega’s was deze gruwelkamer voor hen ontoegankelijk. Achter deze deur hoorden zij niet het schreeuwen van zijn opgekropte woede, zag men niet de kleur van zijn blinde haat of het bloedige resultaat van zijn met agressie geschonken vergiffenis. Het was een woede en haat die de wanden van zijn kamer rood schilderde. De kleur van verschrikking en geweld. Het was de kleur van het bloed dat hij vergoot door het zwaard dat hij als een meester hanteerde.
Zijn gevoelens raasden als een op hol geslagen sneltrein door zijn lijf. Hij voelde zich geroepen, uitverkoren! Hij was de verpersoonlijking van de wraak maar tevens de Engel die vergiffenis schonk in de dood. Beide gevoelens streden in zijn hoofd en sloten uiteindelijk een pact.
Pisnijdig als een getergd en gewond roofdier kraste hij op de binnenkant van de deur woord na woord, een zin…een schreeuw:

Hoed je voor elke dag dat ik uit mijn kamer breek!!!

vrijdag 15 augustus 2014

Willens wetens















Hoe kleur en vorm vermengt
de klank de woorden leidt
het rijgen van de letters
betekenissen krijgt

het groene gras dat groeit
de geiten in de veie wei
de muizen op de zolder
de drup van regen op de ruit
                                                                                           
ik lees de uitroep tussen punten
de verbazing om de komma
het heen en weer beschrijven
de liefde op het eind

het is de stilte op papier
in elke nieuwe witregel
die het verhaal verzwaard
de tranen willens wetens

in de voegen van het blad
bewaard.


© Rudi J.P. Lejaeghere

De stilte daarna











Klinknagels, karwatsen en duimschroeven
hoeveel pijn moeten lusten kosten
het rode fluwijn op een lederen kussen
de laarzen, stiletto’s, het bloedig proeven
de vrouw met het zwarte haar en de roze lippen

niets kan tippen aan het kant en de freule
de aai en de streling, de zucht en het kreunen
het zachte verglijden van de zijden lakens
rondom het lichaam verstrengeld,
het zweet in de navel, het zoenen, de tongen
                                                                                             
het vuurwerk met gensters en ploffers
de sterren die vallen, het licht in de ogen
het vuur van de lenden, het eeuwig ontladen
de wereld die plotseling stopt met draaien
de eenheid van twee in de stilte daarna.


© Rudi J.P. Lejaeghere

dinsdag 12 augustus 2014

Fladderen















Hoe groen zo groen is kunnen blijven
de sloten en beken doorzichtig
de lucht nog altijd wolkig blauw

ik zie soms een egel kruipen
stekelig weg tussen de struiken
maar morgen misschien
fladderen de vlinders uit mijn buik
zie ik de liefde vliegen
                                                                                                   
vandaag is het rood die bekoort
aan de horizon kleurt de zon
schamend, mijn wangen
lichten op, ik maak een
ster of twee in mijn ogen

als je teruglacht is het water minder diep
dan zwem ik het liefst bij je binnen
als ik het mis heb
wil ik best in je verdrinken.


© Rudi J.P. Lejaeghere

zondag 10 augustus 2014

Swing














Zo slingeren ze zich om en om
keren op stappen weer
en duwen trekken samen
als een accordeon

hun voeten aan draden
op en neer bewegen
op het ritme van
swing swing swing

draaien de heupen
zich links dan rechts
met de benen los
gekomen

danst de muziek
door de oren
langs het lichaam
terug in de grond.


© Rudi J.P. Lejaeghere

Tango













Luister ik
in een tango
verstrengeld hou ik
je liefst zo dicht
muzikaal

de kracht van beweging
proef de spiraal
die we dansen
zo smaak ik je graag
                                                                                        
gespannen leid ik
of jij me rond
in een zwaai

begrijp ik.


© Rudi J.P. Lejaeghere

vrijdag 8 augustus 2014

Beestenmanieren
















Hoor de katten janken
ze krijsen sterren hoog
en schrikken muizen
van de zolder

luister naar
het huilen van de honden
die de maan verwensen
en schrikken van de donder

het bliksemt zelfs in het kippenhok
daar zoekt de vos naar pluimen
tussen het piepen van de kuikens

rondom rond draait zich de egel
en knort in stekels
langs de afgevallen appel

en ik

ik ben me van geen kwaad bewust
en laat in b mol een wind
terwijl ik lustig verder snurk.


© Rudi J.P. Lejaeghere

woensdag 6 augustus 2014

REQUIEM














REQUIEM

Wie is geïnteresseerd om een heel groot verhaal te volgen. Het bestaat uit een proloog, 50 hoofdstukken en een epiloog. Hier volgt een synopsis van het verhaal.

Ik verwacht jullie reacties!!!!!


REQUIEM  : SYNOPSIS

Door Rudi J.P. Lejaeghere

2112:  Na de Grote Oorlog die de wereld zoals we kenden hertekend heeft, zijn er slechts twee grootmachten overgebleven. De Oude wereld met Amerika als voorloper en Japan en China als voornaamste vertegenwoordigers van de Nieuwe Wereld in het Oosten, proberen na een lange periode van wantrouwen terug betrekkingen met elkaar aan te knopen. In de Oude Wereld worden de inwoners door de overheid ‘gechipt’ als voorzorgsmaatregel tegen de nucleaire straling die in verschillende delen van de wereld nog aanwezig is.

In deze periode teistert een meedogenloze seriemoordenaar Sanctuary, de hoofdstad van de Nieuwe Wereld. Deze hakt zonder mededogen zijn slachtoffers in stukken en laat ze voor hun nabestaanden achter aan de rand van de stad. De veiligheidsdienst staat voor een raadsel niettegenstaande de moordenaar vreemde boodschappen nalaat in het Latijn.

Yukiko Mitsukai en Stephen March hebben beiden familie verloren door de hand van deze wreedaardige killer. Yukiko is van Japanse origine en heeft een rode ster in de Kami Akai, een eeuwenoude vechtsport bij de groep van mensen die in Japan gekend zijn als Akai. Stephen March, een diplomaat van de Oude Wereld heeft zelf ook roots in de Nieuwe Wereld via zijn stiefmoeder en zijn halfzus. In samenwerking met vrienden van Yukiko proberen ze samen de moordenaar op te sporen. Daarbij komen ze een samenzwering op het spoor die zelfs reikt tot in de Oude Wereld en die het chippen van de bewoners van de Oude Wereld in een nieuw daglicht stelt.

Een senator van de Oude Wereld tracht met een organisatie die op papier niet eens bestaat haar megalomane plannen om te zetten in de praktijk. Dit gebeurt vanuit hun hoofdkwartier in De Kelder die zich bevindt in de ondergrondse verdieping van de Old World Highest, de hoogste wolkenkrabber van de Oude Wereld in New York. Op haar payroll staan geheim agenten en huursoldaten van divers allooi. Jack Sterlington, haar vertrouwenspersoon, verdedigt met drie van zijn vrienden vanuit ‘De Kelder’ en op verplaatsing de dubieuze belangen van De Senator.

Yukiko’s beste vriend Gerekko Dai alias Gekke Gekko, een computernerd en verlamd als gevolg van stralingsziekte bij zijn moeder, zorgt vanuit zijn rolstoel voor de nodige technische ondersteuning bij hun avonturen. Ji Lang, ook rode ster bij de Kami Akai en Jérome Shumbwa alias Eagle Eye, beiden leden van de Skeelers, nemen voor Yukiko en Stephen het onderzoek in Sanctuary en omstreken voor hun rekening terwijl de moordenaar steeds driester wordt en het slachtofferaantal oploopt.

In de Oude Wereld vecht de Weerstand, een ondergrondse en illegale vereniging van mensen die tegen het chippen en de beperking van de privacy zijn, een guerrillaoorlog uit tegen de overheid. Een aantal van hen komt via Gerekko Dai ook in contact met Yukiko en Stephen en helpen hen om de plannen van De Senator te dwarsbomen.


Ook de veiligheidsdienst van de Nieuwe Wereld, met Hoofdcommissaris Norino Vastai en zijn adjunct-commissarissen Shi Udesama en Goro Fukamizu, zorgt voor problemen bij het selecte groepje van Yukiko in hun wedloop om de dader te pakken te krijgen. Naarmate Yukiko en Stephen dichter bij de waarheid komen, wordt het net rond de moordenaar dichter aangespannen en komen wereldwijd vreemde allianties aan het licht.

maandag 4 augustus 2014

Wiervingers













Strandtenen, waterhanden en schuimkoppen
hoe vissen tussen zonneolie glippen
ik weet de duinen soppen
en het gras ertussen tippen

wiervingers, lange messen en baren toppen
golven in de winden knappen
de kanten van het water soppen
wie gaat de brekers stappen

de zee, de zee
                                                                                                 
de meeuwen roepen vis bijeen
in horizon versneden zeilen
het werpen van de jut zijn been
onthul de blanke walvislijven

waar de zon zich in de grond wil zuigen
de hemel met het blauwe vel versmelt
het blakeren van hout in duigen
de vangst de vissers telt.


© Rudi J.P. Lejaeghere

zaterdag 2 augustus 2014

Your smile










Your smile is in the morning like a lovely lily
floating on the surface of a feeling,
so shy and full of ancient mystery
but scarcely open, she's oh so promising.

Your smile before the noon is like the flowering
and so excessive that I'm a drowning fly,
in your laughter there's no withholding,
in your sense of beauty there's no shy.

Your smile is in the evening light, but wise
with little wrinkles around the mouth
showing all we had, there's no price
for happiness, with you I'm real and proud.

© Rudi J.P. Lejaeghere

My limit














I'm reaching out my window
in a tender touch of my eternity.
I see the past and present grow
in future: time, my greatest enemy.
My being, out of tender love 
I'm chained into mortality,
unlike the wide blue sky above
my limit is not high: born in body
today, tomorrow I must die!

© Rudi J.P. Lejaeghere

Always here














In tears, I look upon a shadow
full of memories I never knew,
you seem so far, but still so near,
and thinking of a tale of sorrow
I meet myself, it feels so new,
it keeps away my deadly fear!
I smell you on my empty pillow,
I see your mastership in Flemish stew,
it seems so strange,…
you're here!

© Rudi J.P. Lejaeghere

I dare not cry





















I'm waiting for the sunset
because I dare not cry.
I'm waiting for the dark
because I couldn't show
how much I'm missing you.
And when the light has fled                                                 
I will ask myself: God why?
And when the night has shown his mark
I will touch the sky and slow,
so very slow my thoughts are joining you!

© Rudi J.P. Lejaeghere

Le promeneur















Je ne suis qu’un simple promeneur
qui marche sur la voie de l’expérience
aujourd’hui je regarde autours de moi
je lis des choses formidables
demain peut-être je n‘ai plus la foi
c’est seulement maintenant qui compte

Je ne suis qu’un simple promeneur
avec un petit cœur qui est trop grand
ma bouche couvre des mots d’insolence
je les écris plus beaux, plus tendres
j’entends la mélodie de mon enfance
elle chante d’un bonheur qui est profond

Je ne suis qu’un simple promeneur
qui flotte dans la rivière de la masse
on me bouscule, on me prend par la main
tout de même je vais et j’y passe
la où je dois aller et je ne crains rien
parce que je ne sera jamais solitaire.


© Rudi J.P. Lejaeghere

vrijdag 1 augustus 2014

Mier













Ik wroet, ik graaf
richt me naar de lijn
die naar het zoete gaat

de roep van de koningin
me leidt, mijn draad
waarmee ik steeds begin

het is de kriebel
het rode vuur
dat mij versiert

ik ben een mier
en vlieg
wanneer het tijd is

na een bui
wanneer de plas
de regen spiegelt

het blad dat ik
te samen spin
een nest om in te wiegen.


© Rudi J.P. Lejaeghere