donderdag 30 oktober 2014

Little things















It’s the many excitements that make life different
or let my day look sometimes far more interesting
a pleasant surprise when an old friend is visiting
and asks me how it is, my smile becomes so radiant

sometimes I’m already happy with a bird that sings
or the neighbour in front who hums a catching ditty                        
and is waving at his wife who drives to the city
just take a good start, a sunshine on butterfly wings

they are the little things that count, no money lost
on giving affection or being gentle and polite
a nice remark, the letter I’m now going to post

an apology to my uncle, to end this fight
to write, to shout it out, on the internet I’ll host
this message of love for live, what do you think…all right?

© Rudi J.P. Lejaeghere

29/10/2014

woensdag 29 oktober 2014

De vrouw in het rood: Deel 25










25.

            ‘Ik dacht dat je doodmoe was?’ lachte Jean-Pierre. Het was niet dat hij het niet leuk vond om op die manier goede nacht gewenst te worden. Na hun tumultueuze avonturen van de laatste dagen had hij verwacht dat ze als een blok in slaap zou gevallen zijn. Hij verwonderde zich over de weerstand dat Katarina had en de manier waarop ze alles verwerkte.
            Ze kuste hem plagend op zijn buik terwijl haar tong  in zijn navel kietelde. ‘Misschien slaap ik juist beter op die manier,’ antwoordde ze hem. ‘Je ziet me toch graag of niet?’  
            Jean-Pierre moest geen antwoord geven, de bewijzen had ze ondertussen gevonden. Haar handen waren virtuoos in het bespelen van zijn lichaam en haar lippen deden daar niet voor onder. Zijn boxershort was ondertussen mysterieus verdwenen.
            ‘Hou je echt van mij, ik wil je het horen zeggen, Jean-Pierre. Wil je niettegenstaande alles bij me blijven. Je weet nu dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn is in mijn wereld. Dat is de laatste tijd wel gebleken. Dus..?’ Ze was ondertussen recht gaan zitten en hield zedig het laken voor haar naakte lichaam.
            ‘Ik hou van je, Katarina, ik heb het je toch al gezegd in de auto, ben je dat vergeten?’
            Ze keek even verbaasd. ‘Nee, …maar met dat ongeluk is alles een beetje vaag wat er voordien gebeurd is. ‘Ik ben blij dat je het nog eens zegt, Jean-Pierre. Je hebt misschien gelijk, we zullen er deugd van hebben om eens goed uit te slapen.’ Ze kuste hem op het puntje van zijn neus en vluchtte, terwijl ze haar kleren mee grabbelde, naar buiten.
            Jean-Pierre schudde zijn hoofd. Hij zou maar best een hele koude douche nemen, want Katarina had hem zo opgewarmd dat hij  anders niet zou kunnen slapen. De woord bij de daad voegend begaf hij zich naar de badkamer.


……….


            De volgende morgen was Jean-Pierre vroeger dan hij gedacht uit de veren. Hij rook de koffie naarmate hij het keukentje naderde. Hij zag Katarina bezig met het bakken van een omelet. Haar beertjespyjama stond haar goed. Hij ging achter haar staan en vouwde zijn handen op haar buik.
            ‘Excuseer, Jean-Pierre, je hebt de verkeerde voor, ik ben het…Cecile!’
            Jean-Pierre deed geschrokken een stap achteruit. ‘Maar…gisterenavond. Je pyjama…?’ Hij werd rood tot in de toppen van zijn tenen. ‘Wat is hier de bedoeling van…was jij dat gisterenavond in mijn kamer of niet?’
            ‘Misschien moet je dat eens aan Katarina vragen? Wat zou zij antwoorden, denk je?’ Cecile keek hem aan met een mysterieus glimlachje op haar lippen. ‘Ik moest weten of je echt van mijn zuster hield, Jean-Pierre. Een vrouw voelt dit, ik heb het duidelijk gevoeld en ook gezien in je ogen. Wees gerust, het blijft ons geheimpje. Trouwens je hebt niets waar je je moet over schamen.’ Cecile bleef doodgewoon verder gaan met haar omelet die nu bijna klaar was.
            Jean-Pierre wist niet goed hoe hij hier moest op reageren. Hij had de laatste dagen ondervonden dat liefde en lust twee verschillende begrippen waren en zo was het ook met zijn gevoelens tegenover Katarina. Nu hij goed keek, zag hij dat Cecile toch verschilde van Katarina. Ze was veel meer relaxed dan haar zus en ze keek ook anders uit haar ogen. Er zat een soort geniepigheid in haar blik, terwijl ze haar hoofd op een speciale manier wat schuin hield terwijl ze hem aankeek. Ze zou dat spelletje geen tweede keer meer kunnen spelen.
            Hij hoorde gestommel achter zich. Het was Katarina die, zich nog de slaap uit haar ogen wrijvend, de keuken binnenkwam. ‘Hoi, heb verschrikkelijk goed geslapen. Blijkbaar was het nodig. Het heeft me goed gedaan. Mmmm…dat ruikt lekker, Cecile.’
            Cecile vulde de drie borden me de warme omelet terwijl iedereen zich aan tafel zette. Jean-Pierre voelde nu pas dat hij verschrikkelijke honger had. Zijn maag maakte allerlei vreemde geluiden. Het was dan ook al geleden van op het kasteel dat hij een deftige maaltijd binnen had gekregen.   
            ‘We moeten plannen maken, Cecile,’ sprak Katarina met haar mond vol. Het smaakte haar ook duidelijk. ‘Hoe ga je het aan boord leggen om iets te weten te komen over moeder?’
            Cecile keek haar even aan en toonde haar mobieltje aan Katarina. ‘Ik ben zo vrij geweest om een vriend die bij de plaatselijke politie werkt aan te spreken. Hij kent me…nogal goed mag ik zeggen.’
            Op het mobieltje las Katarina de sms van Cecile aan een zekere François waarin ze vroeg of hij wou navragen waar Beatrice gevangen zat, als ze dan ook nog in het gevang verbleef. Het korte antwoord van François was duidelijk: ‘Voor jou alles, schat!’
            ‘Ik verwacht straks antwoord van hem. Dus nog even geduld en dan weten we wel meer. Trouwens, Katarina, wat vind je van mijn nieuwe pyjama. Mooie beertjes hé. Jean-Pierre zei zojuist dat hij het ook mooi motiefje vond. Misschien mag je dan eens van mij lenen.’
            Jean-Pierre stikte bijna in zijn omelet, maar besloot wijs om te zwijgen.


© Rudi J.P. Lejaeghere
24/10/2014
           

            

Requiem: Hoofdstuk 7 (1e deel)












           Stephen duwde de sleutel 837 in de uitholling van de deurstijl van het appartement van Suzy Chang, draaide hem een kwart om en hield zijn oog voor de scanner terwijl hij zijn naam insprak. Even had hij nog gevreesd dat het appartementsgeheugen zijn persoonlijke toegangsinfo had gewist en hij tot zijn grote ergernis niet binnen zou geraken. Maar zijn vermoeden bleek ongegrond. Een bevrijdende klik van het slot bevestigde het tegendeel. Hij kon de sleutel een kwart verder omdraaien en de deur openen.
Een gevoel van weemoed overviel hem onverwacht en deed hem van ontroering slikken. Suzy keek hem vanaf de tegenover hem multifunctionele spiegel aan, glimlachte en zei: ‘Okairi Nasai! Welkom! Stephen, een ogenblik, ik ben op dit moment niet aanwezig. Er werd een bericht doorgezonden naar mijn mobieltje, maak het je gemakkelijk, ik ben er zo.’
Hij maakte een korte beweging over de ingebouwde sensor bij de ingang en het opgenomen beeld verdween en maakte plaats voor de gewone infoschermen. Hij zag het overzicht van de laatste nieuwsberichten, beurskoersen, camerabeelden van de gang en de kamers in het appartement.
Middenin in de uitgespaarde ruimte zag hij zijn eigen geschrokken spiegelbeeld. Waarom had het residentiebeheer deze gegevens niet uit het geheugen gewist? Suzy was er niet meer, ongevoelige incompetente….!
Kalm blijven, dacht hij een paar tellen later, terwijl hij alles rond hem goed in zich opnam. Hij mocht zich zo niet laten gaan, niemand was daar bij gebaat. Nou ja, misschien was het dan wel een blijk van ongevoeligheid vanwege de verantwoordelijke persoon die instond voor het mediasysteem in de residentie, maar anders was hij misschien nooit het appartement binnen geraakt.
De korte gang die rechts, zoals hij wist een ingebouwde vestibule verborg, was aan de ander kant behangen  met een aantal foto’s van Suzy en haar moeder. Er was er zelfs eentje uit lang vervlogen tijden waar ze met hun vieren op stonden. Stephen, Suzy, Kathy en zijn eigen vader Thomas March. Een feestje ter gelegenheid van een of andere promotie van zijn vader. Wat verder links van hem was de deur naar de badkamer en het toilet en even verder bevond zich naast het infoscherm, de ingang naar de leefruimte. Naarmate hij verder ging volgden de sensors in de vloer en plafond zijn bewegingen en werd de ruimte waar hij zich bevond met kunstig verborgen lichtbronnen bijgelicht. Een medley van zijn favoriete muziek werd gestart. Nee, met had duidelijk nog niet geknoeid met het appartementsgeheugen, dat bleek uit de geprogrammeerde verwelkoming van het appartement. Wellicht had de veiligheidsdienst dit gevraagd, hopende dat ze er nog wat info kon uitdiepen die hen verder zou helpen in het onderzoek.
            Stephen wist uit ervaring dat Suzy een gewoontedier was. Zij tekende steevast alle belangrijke data, afspraken of andere geheugensteuntjes aan op haar tabletcomputer. Wellicht had hij vandaag geluk en viel hem iets belangrijks recht in de handen. Stephen veronderstelde wel dat de veiligheidsdienst alles had gekopieerd en de diverse intelligente geheugens in het appartement had gescreend en onderzocht. Alles kon een eventuele leidraad zijn naar de moordenaar. Dus wat de veiligheidsdienst wist moest hij ook te weten komen… als men niets had gewist. Hij kende Suzy een stuk beter dan de mensen van de veiligheidsdienst. Wat voor hen misschien onschuldig leek, kon voor hem heel wat meer betekenen.
Via de leefruimte kon je op het eind rechts naar een kleine keuken en aan de linkerkant bevond zich de deur naar de slaapkamer. Stephen zag direct haar tabletcomputer liggen op haar nachtkastje in de slaapkamer en nam hem mee naar de leefruimte. Daar zette hij zich op een van de zaisu, een soort kleine stoel zonder poten, die met het zitvlak rechtstreeks op de tatamimat van de leefruimte ruste. 
De tabletcomputer was beveiligd met vingerafdrukidentificatie. Dit probleem zal de veiligheidsdienst wel op een macabere manier opgelost hebben, dacht hij grimmig. Stephen had zijn eigen toegang, net zoals Suzy die had op zijn tabletcomputer met de nodige beperkingen natuurlijk. Zijn persoonlijke vingerafdruk werd gescreend en hij kreeg toegang tot een aantal applicaties waaronder internet, mail en een aantal games die Suzy en hijzelf ook graag speelde in hun vrije tijd.
Hij opende de applicatie voor mail en zag de gewone berichten die zowel zij of hij naar elkaar hadden gestuurd. Het verbaasde hem dat er in 'Draft’ nog één bericht stond om te versturen. Stephen opende de mail en las:

Stephen,

Heb nieuwe game gedownload. Super, moet je zeker ook eens uitproberen, hierbij de link naar mijn applicatie en je inlogcode: Passage 6

Suzy

            Passage 6? Het briefje dat hij in haar portefeuille had gevonden moest naar dit spel hebben verwezen. Misschien had ze die inlogcode opgeschreven toen ze een hint van een of andere vriend kreeg om het spel te downloaden. Nou ja, dat mysterie was dan ook opgelost. Stephen tikte op de link en opende een spel dat ‘Deeplands’ heette. Bij het lezen van de titel van de game gleed een koude rilling over zijn rug.
De bedoeling bleek zoveel mogelijk gevaarlijke en gruwelijke monsters uit de nagebootste onderwereld te doden om uiteindelijk uit te komen bij het middelpunt van die virtuele wereld. De opdracht van het spel was het schepsel te doden die heerste over de misvormde creaturen die je om de haverklap probeerden te vermoorden.
Was dit een misplaatste grap of was dit een verdoken verwijzing naar iets belangrijks? Er zat Stephen niets beters op dan het spel te spelen als hij een antwoord op deze vraag zou willen krijgen. Hij was er nauwelijks voor in de stemming. Maar iedere aanwijzing, al was die nog zo miniem, hij kon het niet nalaten die te onderzoeken. Zelf indien het niets uithaalde, misschien zou het hem toch een tijdje wat afleiding bezorgen. Even ontsnappen uit een wereld vol van sombere gedachten. Een manier om de beelden van de gruwelijke identificatie vroeger op de dag van zich af te spelen. Hij stond weer recht en deed zijn vest uit, nestelde zich - terwijl hij zijn gehavend been zoveel mogelijk probeerde te sparen - in een van de wat gemakkelijker zetels van het appartement en startte: ‘New game!’



 ……..


zondag 26 oktober 2014

A chink open















Look a bit further than the phrase
that is a chink open like the door
in its own way
just not touching the lock

what can be translated in thoughts
you can read on the face
sometimes an eye that blinks
maybe a little tic
just above the right corner of the mouth                                                   
or a tongue that quickly licks the lips

so that the last words
which were swallowed hasty
still are read

in the light that yawns
between the silence and the point
that closes forever.

© Rudi J.P. Lejaeghere

24/10/2014

Vision













I know it to be autumn
even before the falling
of the leaves

the grey of graylag goose
in rain volatile checked off,
the sea that is scattered in droplets
on the colour of patchwork quilt,
whispering between lanes and country roads                                  

hear

through balding tree crowns
the wind shaves along his chilly breath
and unhindered he wins the battle
on the silence of the shortening days

it tick tacks on the roofs,
at the windowpane the sad story
of gusts of rain beckon at me,

at the horizon I can just imagine
the sun shedding tears in the clouds.

© Rudi J.P. Lejaeghere
25/10/2014



Sonnet of Loneliness










Walking between people and watching around
the man on the corner with his shopping cart
with all his belongings, strolling downtown
asking for coins, rubbish bins knowing by heart

a woman on the bench of the village square
old an in a worn out coat, pigeons feeding
a young man besotted, freaked out and so scared                              
the bullied little girl, alone and weeping

loneliness doesn’t look for gender or age
so how has it happened and who is  to blame
for some on their life’s journey this is a stage

for others they seek it like a moth his flame
or a dying star and just going backstage
in a hard world that has forgotten their name.


© Rudi J.P. Lejaeghere

25/10/2014

vrijdag 24 oktober 2014

Restless












I flow away as lava

within a fire is burning

awake is the volcano
spilling over on every side

in fire

in flame                                                                          

on a river that mirrors
colours to the waxing moon

divide the warmth
under the yellow of the flood

in the red
of the sounds of my throat

my soul veined as glowing marble
just as my blood
that is speaking in words

in my head I’m restless.

© Rudi J.P. Lejaeghere

24/10/2014

De vrouw in het rood: Deel 24










24.

            Jean-Pierre en zijn gezellin waren in het begin van de namiddag aangekomen op de plaats waar Katarina’s vriendin woonde. Jean-Pierre had ondertussen wel het een en ander meegemaakt sinds hij haar kende, maar hij was toch erg verbaasd toen de deur van het woonhuis openging waar de taxi hen naartoe had gebracht.
            Voor hem stond een bijna perfecte replica van Katarina. Het enige verschil was dat de vrouw voor hem haar haar in een paardenstaart droeg terwijl het bij Katarina het deze keer los hing. Zijn mond viel open en zowel Katarina als de vrouw in het deurgat lachten om zijn geschokte blik.
            ‘Let op, Jean-Pierre, straks vliegen er nog vogels in,’lachte Katarina. ‘Mag ik je voorstellen aan mijn oudere zus Cecile. Zij is vijf minuten vroeger geboren dan ik en dat laat ze me dikwijls genoeg weten.’
            De vrouw stak haar hand uit en heette hem welkom. Jean-Pierre ontwaakte uit zijn trance. Wat was dat vreemd. Zelfs haar gebaren, haar lach en stem, hij kon bijna geen verschil bemerken. Hij schudde wat ontdaan haar hand, maar zij trok hem nader en gaf hem twee klinkende zoenen. Katarina had plezier in zijn reacties. Blijkbaar was het niet de eerste keer dat haar dat overkwam.
            Nadat Katarina haar wedervaren had verteld, waarbij Cecile een paar keer haar wenkbrauwen optrok om aan te geven dat ze het verhaal bijna niet kon geloven, kregen ze beide een kamer op het eerste verdiep toegewezen. Ze zouden daar blijven tot de situatie wat uitgeklaard was.
            ‘Heb jij ondertussen moeder al gehoord, Cecile?’ vroeg Katarina terwijl ze in een luie zetel aan het relaxen was. Ze had haar schoenen uitgeschopt en voelde zich kennelijk thuis bij haar tweelingzus.       
            Cecile was ons een drankje aan het inschenken en keek even van haar werk op. ‘Je weet dat moeder en ik niet echt goed overeenkomen. Ik bel juist met haar als het hoognodig is en ik wist dus helemaal niet van deze situatie.’           
            Katarina maakte zich zorgen, dat zag Jean-Pierre duidelijk op haar gezicht geschreven. Hij vermoedde dat ze aan haar moeder dacht. Met dat Cecile aanbracht dat haar relatie met haar moeder niet zo goed was, besefte hij dat hij niet goed wist hoe Katarina tegenover haar moeder stond. Hij veronderstelde dat die beter dan die van Cecile moest zijn, anders zou Katarina nooit te samen hebben gewerkt met haar moeder op het kasteel.
            ‘Mag ik misschien wat voorstellen,’ vroeg Cecile plots toen ze de drankjes ronddeelde. ‘Misschien kan ik inlichtingen inwinnen. Ik mag dan wel eruitzien als Katarina, ik kan mij legitimeren als Cecile. Men weet trouwens bij de politie dat ik afstand heb genomen van de activiteiten van moeder en Katarina.’
            Ze legde uit dat ze absoluut geen probleem had met die activiteiten, maar dat de mindere verstandhouding was ontstaan doordat haar moeder altijd opmerkingen had over de mannen die zij over de vloer bracht. Na een zoveelste ruzie had Cecile alle bruggen opgeblazen en was vertrokken. Ondertussen was dit wel wat bekoeld en had ze weer contact met haar moeder, al was dit beperkt tot het minimum.
            ‘Als je dat zou willen doen, Cecile, ik zou opgelucht zijn om te weten of ze het goed stelt. Ze is niet meer van de jongste en moet medicamenten nemen tegen haar hoge bloeddruk. Ik weet niet of ze die krijgt waar ze nu ook mag zijn.’       
            Cecile ging zich naast Katarina gaan zitten en sloeg haar armen om haar zuster. ‘Maak je geen zorgen, morgen steek ik mijn licht op en vraag wat rond, we zullen dan gauw wel wat meer weten.’ Katarina liet zich omhelzen terwijl ze een traan wegpinkte.
            ‘Ik zal dit nooit vergeten, Cecile, bedankt. Ik sta bij je in het krijt.’
            Cecile lachte. ‘Daar hou ik je aan, wacht maar tot ik iets van je vraag, je weet maar nooit met mij, hé!’ Nu moest haar zus ook lachen. Blijkbaar konden de zusjes goed met elkaar overweg.
            Ondertussen was het avond geworden en Katarina probeerde een geeuw te verbergen achter haar hand. Cecile had het echter gezien. ‘Nou, kom kinderen, jullie bedtijd is aangebroken. Jullie hebben het zwaar te verduren gehad, wat uurtjes slaap zullen je goed doen.’        
            Vermoeid maar enigszins gerustgesteld vertrok Katarina met Jean-Pierre in haar kielzog naar hun slaapkamer.
            Jean-Pierre had zich juist uitgekleed en was zich klaar aan het maken om te gaan slapen, toen de deur openging en Katarina in een schattige pyjama met beertjes op, de kamer binnen kwam.
            ‘Ik wou niet gaan slapen vooraleer ik je nog welterusten had gewenst, Jean-Pierre,’ beantwoordde ze zijn onuitgesproken vraag. Ze trok hem nader en kuste hem wild op de mond. Terwijl haar ene hand in zijn nek lag, zocht de andere zijn weg over zijn blote bovenlichaam. Hij was enkel gekleed in een boxershort en niettegenstaande hij ook vermoeid was, bleek dat een bepaald lichaamsdeel daar helemaal niet mee akkoord was.
            De hand van Katarina vond daar het bewijs van en terwijl ze zich hartstochtelijk tegen hem aan duwde, gleed haar hand in de boxershort. Jean-Pierre gaf zich heel gemakkelijk over en viel met Katarina boven op hem in bed.


© Rudi J.P. Lejaeghere

20/10/2014

donderdag 23 oktober 2014

Requiem: Hoofdstuk 6 (2e deel)












           Ik veegde vermoeid maar voldaan het zweet uit mijn ogen. Na een intensieve training waarbij ik alle bewegingen van de ‘Kami Akai’ had uitgevoerd in een schijngevecht tegen mijn ingebeelde tegenstrever was mijn stress ‘bijna’ volledig weggewerkt. Een reeks van 120 bewegingen die in een volmaakte symmetrie in elkaar uitvloeiden was de grondslag van een vechtsport waarin ik vanaf mijn zevende levensjaar was opgeleid. Er waren weliswaar combinaties die uit minder bewegingen bestonden naargelang die op een bepaalde situatie moesten toegepast worden, maar ik had uit frustratie en lichamelijke noodzaak de ganse reeks afgewerkt. Zowel mijn lichaam als mijn geest had dit nodig.
Actief afreageren in een oefensessie die opgebouwd was uit verdedigende maar ook aanvallende bewegingen. De wisselwerking had steeds een kalmerend effect op mij. Het was een wisselwerking van verschillende functies van het lichaam. De oogreflexen die op een tegenbeweging moesten reageren, de adembeheersing in samenhang met het doorgronden van de vechtsituatie in het geval men met een echte tegenstrever te maken had, alles was van belang. Al deze zaken moesten zo op elkaar inspelen dat op het einde van de sessie men zich een  pak beter voelde door de vrijgekomen endorfine. Een positieve reactie op de massa negatieve agressie die men in zijn systeem tijdens een bepaalde periode had opgebouwd. Dat was de enige juiste weg naar evenwicht volgens mijn vader Arturo Mitsukai, die tevens mijn leermeester was geweest in de ‘Kami Akai’. Vrij vertaald betekend Kami Akai de Rode Geesten. De beoefenaar van deze vechtkunst moet als een geest zijn. Vlug en onzichtbaar, op het ene moment nog tegenover zijn tegenstander, het andere moment neerkijkend als overwinnaar op zijn gevloerde tegenstander. Het rood van Akai staat voor de kracht van de zon. De kracht waarmee men toeslaat, de warmte van de energie die vrijkomt waarmee men de vijand verzengt.
Het was niet zomaar dat ik deze keer de dojo 'Shogi' had uitgekozen voor mijn training. Het was ook de dojo waar een  aantal van de leden van de Skeelers hun vechtsport beoefenden. Ji Lang, een oude kennis, die sinds mijn tiende levensjaar, samen onder dezelfde Meester was opgeleid, kwam nog regelmatig langs en hij was de persoon die mij misschien kon helpen. Vandaag had hij een afspraak om vier uur in de namiddag. Deze info had ik verkregen aan de balie door mijn natuurlijke charmes in de ring te werpen. Soms gaf dit nog betere resultaten dan een rondje vechten. Even een kwartiertje uitzweten op de loopband en dan had ik enkele prangende vragen te stellen.
Ji kwam stipt om vier uur de dojo binnen. Hij bezat de Rode Cirkel net zoals ik. De een na beste ‘Kami’. Het waren maar de meesters die na het dragen van de Rode Cirkel gedurende vele jaren uiteindelijk de kans kregen om de Gouden Cirkel te verdienen. De rode zon die op zijn sterkst en op zijn hoogste punt een gouden bol wordt. Daarom was dit ook de hoogste onderscheiding in de Kami Akai, de beste zijn onder de beste. Na een periode van het verdedigen van de Rode Cirkel kon men volgens de regels van de Kami Akai nog een tiental proeven afleggen, een soort eindexamen. Wie daarin vlekkeloos in slaagde, kreeg de Gouden Cirkel. Dit was voor elk van hen een beproeving van hun jarenlange ervaring en kennis die zij in deze vechtsport hadden opgedaan. Het was dus niet verwonderlijk dat het maar weinigen die deze eer toebedeeld werden.
Ik kwam Ji tegemoet en boog met mijn rechterhand tegen mijn hart gedrukt. Ji glimlachte en groette terug. ‘ Mijn innige deelneming Yukiko,’ waren zijn eerste woorden. Ik bedankte hem voor zijn medeleven. Het werd een werktuiglijke reactie. Zoveel mensen hadden dit al gedaan en al twijfelde ik niet aan hun woorden, mijn reactie kwam er uit zonder dat ik erbij nadacht, ik wilde er niet dieper op ingaan. Ik hoopte enkel maar dat met daar geen aanstoot aan nam.
‘Het is lang geleden dat we elkaar hebben ontmoet,’ vervolgde Ji. ‘Wat brengt je hier vandaag? Wat uit conditie of zo,’ plaagde hij me. We hadden het altijd goed met elkaar kunnen vinden, mijn vader had hem ook altijd een volgzame en veelbelovende leerling gevonden. ‘Integendeel, vandaag voel ik me echt in vorm, misschien win ik wel van je,’ daagde ik  hem plagend uit.
Ji Lang kon die uitdaging niet naast zich neerleggen en wees met een grijnzende blik naar de vrije mat aan zijn linkerzijde. We namen onze beginpositie in, groetten volgens de regels en begonnen in een aftastende fase als twee tijgers rond elkaar heen te bewegen. Zowel Ji als ikzelf probeerden eerst enkele schijnbewegingen uit. Dit om de actie en de reactie van de tegenstrever uit te testen. Ik had vroeger nog ervaren dat Ji soms iets té zelfzeker was en meestal nogal vlug in de aanval ging. Juist om die reden kwam hij regelmatig wat te dicht in mijn slagbereik. Ik moest natuurlijk ermee rekening houden dat het een schijnbeweging of uitlokkingsmanoeuvre kon zijn.
Ik probeerde een aanvallende beweging uit en kreeg inderdaad direct de wind tegen en tevens een staaltje van de kracht die achter zijn gevaarlijke linkse schuilde. Was ik die vermaarde linkse van hem even vergeten. Ik voelde de kracht van de Kami Akai en telde wat sterretjes, schudde mijn hoofd en stelde mijn verdediging bij. Ik veinsde echter dat ik niet direct bekomen was van zijn aanval. Ji liep er met beide ogen wijd open in mijn opgezette val. Deze keer toch!
Ik ontweek nu wel zijn zoevende linkse, voelde de kracht net boven mijn hoofd in de lucht krachteloos uiteenspatten en verdwijnen. Met een maaiende beenbeweging werd Li door mij gevloerd. Daarna vroeg hij natuurlijk om revanche en won die, na een wat langere partij aftasten, schijnbewegingen en uiteindelijk lag ik op mijn buik in een houdgreep die net voor de genadeslag komt.  Het was een strijd met enkele meesterlijke staaltjes van Kami Akai en de toevallige aanwezigen stopten hun training gedurende het gevecht om dit gebeuren tussen twee Rode Cirkels te volgen. We kregen zelf een appreciërend applausje na iedere ronde.
            Na de tweede partij maakte ik met mijn armen de gekruiste beweging over mijn borst als teken dat ik de wedstrijd voor bekeken hield. We hadden beiden elk een wedstrijd gewonnen en dat was goed voor mijn volgende stap, zeker nadat Ji Lang de laatste overwinning op zijn palmares had kunnen schrijven.
Nadat we ons wat hadden opgefrist, kwamen we zoals we vooraf hadden afgesproken na de wedstrijd, elkaar terug tegen in de inkomhal van de Shogi. ‘Hei, Ji, mag ik je wat aanbieden in de bar, om ons weerzien te vieren, wat dacht je? Is melk nog altijd je favoriete drankje,’ lachte ik.
Ji fronste gespeeld verontwaardigd de wenkbrauwen. ‘Wat een domme vraag Yu, je weet toch dat dit witte goedje voor mij de ultieme drug is.’ Het was zijn grapje, waarmee hij menigeen al op het verkeerde been had gezet. Diegene die hem nog niet kenden dachten dat hij het over cocaïne had, maar Ji was doodserieus als hij het over zijn glaasje melk had. ‘Laat maar komen, Yu, dat sla ik niet af. Let’s party!’ Onwillekeurig dacht ik aan Gekko met zijn vreemde taaluitroepen. Ji sprak echter heel wat beter Engels. Zowel Chinezen als Japanners hadden nogal problemen met de uitspraak van het Engels, niettegenstaande dat in de 22e eeuw het Engels overal als voertaal werd gebruikt wegens de multiculturele gemeenschappen zowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld.
            Aan de bar vertelden we beiden onze belevenissen van het laatste jaar nadat hij nog eens zijn gemeende deelneming betoogde in het verlies van mijn ouders. We haalden enkele herinneringen op, die ons beiden goed deden. Om het ijs wat te breken was dit steeds een goede methode. Maar uiteindelijk stelde ik hem de vraag waarom ik hier was gekomen.
‘Jij hebt toch ook een paar vrienden bij de Skeelers verloren, dacht ik gelezen te hebben?’ begon ik aftastend.
‘Ach, breek me de mond niet open, een zeer onsmakelijke zaak, Yukiko. Het maalt mij nog altijd door het hoofd dat Myo en Dakai er niet meer zijn. Je leven op zo’n bloederige manier verliezen. Verminkt en dan uiteindelijk onthoofd, ik mag er gewoon niet aan denken. Als ik de dader onder handen zou krijgen, ik weet niet of ik mij zou kunnen beheersen. Dan zou ik niet stoppen vóór de genadeslag!’
Hij keek met een kwade blik naar zijn glas melk en even dacht ik dat het glas in zijn stevige greep uiteen zou spatten, zo wit werden de knokkels op zijn hand.
‘Ji, ik weet niet of dit toevallig is, het kan bijna niet, maar mijn ouders zijn op dezelfde manier gestorven. Misschien kunnen we samen wat meer trachten te weten te komen want wat ik van de veiligheidsdienst heb vernomen is allesbehalve noemenswaard, je zou bijna denken dat ze dingen achterhouden.’
            Ji Lang keek me een poos aan en ik liet hem in stilte zijn beslissing maken. ‘Als jij je info met me deelt, waarom zou ik dat niet doen, misschien wordt het niets, misschien wel, maar ik ben het met je eens dat de mensen van de veiligheidsdienst deze zaken in de doofpot willen stoppen. Misschien gaat dit zaakje hen gewoon hun petje te boven. Wat hebben ze tot nu toe bereikt. Niets, zero, nada!’
Ik vertelde hem over mijn bezoek bij Gerekko Dai en vermeldde de illegale inbraak in het systeem van de veiligheidsdienst. Ji trok een tel de wenkbrauwen op, maar de glimlach op zijn lippen, deed me na enige aarzeling gerustgesteld verder spreken. ‘Die Stephen March, zou die iets meer kunnen weten? Heb jij nog elementen in deze moorden die ons wat verder zou kunnen brengen?
            ‘Ik heb misschien nog iets beters….,’ hij liet in de stilte die op deze woorden volgden de spanning opbouwen en keek me met het hoofd wat schuin, recht in de ogen, ‘Een Skeeler heeft de ontvoering gezien van Myo en Dakai en heeft mogelijk wat meer informatie over dat moorddadig beest. Wie weet kan het iets zijn wat ons verder kan helpen om de dader op te sporen!’
Nu keek ík hem op mijn beurt recht in de ogen. ‘Dus je wilt ook, net zoals ik een onafhankelijk onderzoekje starten naar de moordenaar of moordenaars, heb ik dit goed begrepen?’
Ji knikte. ‘Ik krijg geen steun hiervoor bij de andere  Skeelersverklaarde hij, ‘je weet dat de overheid het niet zo heeft op bendevorming en zo. Zij laten ons oogluikend toe, als wij maar binnen de hun uitgetekende lijntjes lopen. Maar mijn vriend waarvan ik sprak, is wellicht de enige die er anders over denkt. We hebben trouwens samen een klein import-exportbedrijfje in kunstvoorwerpen opgericht dat aardig wat opbrengt.’
Ik kreeg wat hoop, je weet maar nooit, alle kleine aanwijzingen konden misschien één goed spoor opleveren.’Waar woont hij, hoe heet hij…?’
Ji glimlachte om mijn enthousiasme. ‘Nog altijd de ongedurige Yu zoals vroeger, altijd direct op de man af. Wij noemen hem sinds een tijdje Eagle Eye, vraag me waarom?
            ‘Waarom?’ Wat was ik toch weer een gehoorzaam en volgzaam meisje!
‘Bij een schermutseling een tiental jaar geleden heeft hij één van zijn ogen verloren,’ vertelde Ji. ‘Toch is hij niet bij de pakken blijven zitten en met implantatie van de bionische lichaamsdelen die heden ten dage bij zo’n geval wonderen kunnen verrichten, werd bij hem zo’n hightech oog ingeplant. Soms is een mens zelfs beter af met die intelligente implantaten. Hij ziet simpelweg duizend keer beter met zijn nieuwe oog. Net een arend die kilometers ver kan zien,’ glimlachte Ji. ‘Plus de extra’s die je meekrijgt met zo’n intelligent oog zoals de projectie van internetgegevens of binnenkomende mails die via een link met je mobieltje op je netvlies worden geprojecteerd. En dan mag je de zoom- en opnamefunctie niet vergeten en nog een aantal zaken die ik waarschijnlijk niet eens begrijp. Al wordt je een stuk machine, je bent misschien zelfs beter af met twee zo’n ogen,’besloot Ji die altijd al voorstander van technologische hoogstandjes was geweest.
Met een laatste slok leegde hij zijn drankje, nam zijn vest en wenkte me. ‘Genoeg gepraat, kom mee naar ons nederig stulpje aan de stadsrand. Daarmee bedoel ik vanzelfsprekend de ‘Swift’, de meetingplaats van de Skeelers. Ik stel je hem gewoon even voor en dan zien we wel of we een bruikbaar spoor hebben.


Pebble












Once I was a pebble
a clean scuffed-boy
glassy laying
between water grains or

more or less cosily
in the current

I merged into
bounced without sparkles                                                      
no beginning today
tomorrow no ending
constantly polishing
and being round
melting together
with time

till I, pebble

eventually
have disappeared
in nothing.

© Rudi J.P. Lejaeghere

22/10/2014

Kiezel












Ik was een kiezel
ooit
een glad geschaafde jongen
glazig
liggend
tussen waterkorrels of

min of meer gezellig
in de stroming                                                          
ik mondde uit                                                                            

ketste zonder vonken                                                        

geen begin vandaag
geen einde morgen
steeds het slijpen
het ronde
zijn

versmelten
met de tijd
tot ik kiezel
uiteindelijk
in niets
verdwijn.


© Rudi J.P. Lejaeghere

dinsdag 21 oktober 2014

Traveling around the World















I’ve travelled everywhere but mostly in my head
through beautiful pictures on glossy paper
of places with piles of blinding white snow
and sand or salt on the plains and rocks of all sorts

I’ve sailed in front of the great waterfalls of Iguazú
admired the Devils Mouth under the moonlight
looked at colourful birds in the trees by the water
and listened to the toucan, the trogon and macaw                                 
I’ve seen the red sunset down in the Moon Valley
over the great plains of Ischigualasto and Talampaya
digging out dinosaurs with my hands in the sand
slept alongside with the mummies from the Inca

I’ve swum between humpback whales and penguins
fed the giant albatrosses on the continent of Antarctica
looked on the fingers of the sea lion and crab eaters
sat on the broad-shouldered back of the cachalot

Above all, I’ve enjoyed myself by coming home
in the best and the cosiest housing of the world
with the nicest and finest food and then a drink
at ease and relaxed in my couch by the stove.

© Rudi J.P. Lejaeghere

21/10/2014 

The pointer












In my hand I write
between lines, a bit unexpected
sometimes carved through, a side-way
that I take in the palm of my hand

a bit thicker on the ball
I’m coming home on the thumb
that keeps me under
till I point someone with the finger                                           
and switch the roles
by showing my middle one with brio

for you who rings my bell
I have just one
and it is the one on my left
where my loyalty belongs

and the little one
for what it means or serves
well, my nose will know it
for sure.

© Rudi J.P. Lejaeghere

19/10/2014

maandag 20 oktober 2014

On my way












To make an imprint,
that foot that step by step
shows the way
between buckthorn
and wild blackberries

burn the wood that prevents me                                                
disentangle the poison ivy
that keeps me close

I swing myself on lesser bindweed
mould me in a fleece flower root
the web that can spin me
is at least

two measures too big.

© Rudi J.P. Lejaeghere

19/10/2014

De vrouw in het rood: Deel 23










23.

            Het was Jean-Pierre die het eerst bijkwam en een man hoorde roepen. Hij keek verdwaasd door de gebroken zijruit van de wagen. Een man in een overall en een pet op maakte gebaren die hij niet verstond. Hij schudde zijn hoofd en begreep dat de mans Frans sprak.
            ‘Ca va, monsieur? Vous êtes blessé? Gaat het meneer, bent u gewond ?’ Hij knikte naar de man en probeerde zich te bewegen. Dat ging moeilijk. De airbag zat in de weg en toen zag hij dat Katarina ook begon tekenen van leven te geven.
            ‘Gaat het, Katarina?’ Jean-Pierre zag dat ze lichtjes bloedde aan het hoofd. Het zag er niet echt ernstig uit, maar hij was geen dokter. Voor hetzelfde geld had ze een zware hersenschudding of erger. Ze keek naar hem zonder goed te begrijpen wat hij gevraagd had. Daarna keek ze rond haar. De airbag had ook voor haar de grootste slag opgevangen.
            ‘Wat is er gebeurd…ik herinner me…oh, shit ja, we hadden een botsing. Nu weet ik het weer.’ Ze bewoog haar armen en voeten, blijkbaar was ze er ook net als Jean-Pierre met de schrik vanaf gekomen.
            Ondertussen was de man met de overall aan het bellen. Waarschijnlijk naar de politie of om een ambulance. Zowel Katarina als Jean-Pierre begrepen dat ze in de penarie zaten. Wat zou er gebeuren als de politie hen herkende? Misschien was er een opsporingsbericht voor hen, ten gevolge van de razzia op het kasteel. Dat zou je de poppen aan het dansen hebben.
            ‘Kom,’ zei Katarina, we moeten hier weg.
            Maar de man die zag dat ze wilden uitstappen, probeerde hen dat enigszins te beletten. ‘Si vous êtes blessé, ne vous déplacez pas. C’est dangereux peut-être,’. De man was bang dat ze ernstig gekwetst waren en dat ze beter zouden blijven zitten tot de hulpverleners kwamen.
            Ondertussen hoorden Jean-Pierre in de verte een ambulance afkomen. Ze kropen beiden onhandig uit de auto. Katarina keek rond zich en zag dat de auto van de man waarop ze gebotst hadden, even verder stond.
            ‘Geen vragen stellen, Jean-Pierre, lopen naar die auto en hopen dat de sleutels erop zitten.’ Ze gaf het goede voorbeeld en rende op de voeten gevolgd door Jean-Pierre naar de SUV.
            De bestuurder keek hen allebei verbaasd na. Hij had natuurlijk niet begrepen wat Katarina had gezegd. Toen ze beiden in zijn wagen kropen, begreep hij dat ze de plaats van het ongeluk wilden ontvluchten. Maar toen was het te laat. Hij had door de schok van het ongeluk, de sleutels laten zitten en met piepende banden stoof Katarina en Jean-Pierre in de wagen weg.
            ‘Zie je politie achter ons, Jean-Pierre?’ vroeg Katarina terwijl ze het bloed van haar voorhoofd veegde. Ondertussen was de kleine wonde gestopt met bloeden.
            Jean-Pierre draaide zich om en keek door de achterruit of ze achtervolgd werden. ‘Neen, er staat juist een ambulance bij de man, maar ik veronderstel dat de politie daar ook gauw zal zijn. We kunnen niet blijven rijden in deze auto. Die zal geseind zijn.’
            Katarina sloeg een weg in. Jean-Pierre had nog juist het bordje ‘Gare’ zien staan. ‘Gaan we naar het station rijden?’ vroeg hij aan Katarina. Hij zag dat ze afremde en de auto links van de baan achter een hoop struiken reed.
            ‘Van hier af gaan we lopen, je hebt gelijk, deze auto gaat teveel opvallen. Als ik het goed voorheb is het ongeveer een half uurtje goed doorwandelen naar dat station. Laat ons maar voortmaken.
            Jean-Pierre zette er goed de pas in, maar moest toch even vertragen, want Katarina kon op haar damesschoenen zo geen snelheid halen. Als je alles op voorhand zou weten dan zou je sportschoenen hebben aangedaan, maar ja, ze hadden geen kristallen bol.
            Zijn partner had gelijk gehad, net iets na een half uur bereikten ze de ingang van het station. ‘We kopen geen kaartje aan het loket, dat doen we op de trein, op die manier kan niemand van het station ons identificeren. We nemen de eerste trein die arriveert, het geeft niet waar naartoe, als we maar van de politie verlost zijn. Dan kunnen we eens goed nadenken wat we zullen doen.’
            Jean-Pierre schudde verbaasd het hoofd. ‘Wat kunnen we doen, we zijn voortvluchtig en we zien er op dit moment niet uit. Mijn kleren zijn op verschillende plaatsen gescheurd en de jouwe zien er niet veel beter uit.’
            Katarina knikte. ‘Je hebt gelijk, maar ik zie hier op de uurregeling dat de eerste trein in de richting van een plaats gaat waar ik een heel goede vriendin heb. Een geluk bij een ongeluk. Daar is hij al, laten we instappen. De grond wordt hier te heet onder mijn voeten. We moeten het geluk niet meer tarten dan het nodig is.
            Jean-Pierre en Katarina stapten op en verlieten samen met de trein het verlaten perron.


© Rudi J.P. Lejaeghere
16/10/2014


zondag 19 oktober 2014

Summer in your eyes












I’ve heard it in the wind,
from the falling of the leaves
the chilling of the days

it draws now with beautiful colours
chestnut, caramel and yellow ochre
and through there the paleness,
the diaphanous beam of rays

the sun obliterated in gusts of wind                                         
rain is strewn about and swarmed around
in sweeps and strings on the window-pane

outside it’s quiet, just a whispering
between the outer walls and silent streets
the public squares are suddenly deserted

the warming of the freezing hands
ditches of coffee and the nipping of a shot
I turn the wood again in the fireplace

today I’m staying in
nestle myself between pillows
and your arms so sought
I still know it summer in your eyes.

© Rudi J.P. Lejaeghere

18/10/2014  

zaterdag 18 oktober 2014

I'm wandering by













I’m wandering by and stroll after colours
the weathered ones of the fishing vessel
and the shiny white of the yacht at the landing-stage
flags and pennants from everywhere blowing

a man with a pipe between his nets
plugs and stopples the holes
patching up for later on the water
the smoke of tobacco that mingles
with the brackish smells on the jetty                                          
seagulls dive low over the pier
and skim almost the with clams
overgrown mooring-posts
shouting at each other and the incoming ships

the wind strikes full in the sails
it’s time for raking and hoisting
while between the old barques
a little canoe glides away
into the open sea.

© Rudi J.P. Lejaeghere

18/10/2014

vrijdag 17 oktober 2014

But sleep...not yet










I hear it scratching on the attic floor
yesterday it was still behind the wall
sometimes I think it’s all in my head
the sound that clatters in my chamber

then in the corner of my eyes I see
fingers that stretch and reach for me
eyes in the dark, a mouth wide open
rows of teeth like knives that cut

it whispers something I can’t explain
slippery words that look like snakes
in bed I search between the drapes
I close my eyes but sleep… not yet.

© Rudi J.P. Lejaeghere

16/10/2014

donderdag 16 oktober 2014

De vrouw in het rood: Deel 22










22.

            Het was ondertussen vroeg in de morgen. Er hing een lichte nevel over de velden en de omgeving oogde somber en verlaten. Katarina had de sleutels van een bestelwagentje weten te bemachtigen. Blijkbaar behoorde dit, gezien de attributen die ze in de auto vonden, toe aan Helga of Irene. De dames hadden een ruim assortiment aan marteltuigen.
            Jean-Pierre had een boksbeugel die hij tussen deze sadomasochistische kleinoden had zien liggen, opgeraapt en in zijn broekzak gestoken. Het was geen mes of een pistool, maar het was zeker een wapen waarmee hij zich kon verdedigen. Blijkbaar was dit nodig als je in de nabijheid van Katarina verbleef.
            ‘Wat is er eigenlijk gaande, Katarina? Waarom al die ophef? Is er meer aan de hand, dan wat ik heb gezien?’ Jean-Pierre wou antwoorden. Het spelletje had lang genoeg geduurd. Hij was niet heiliger dan de paus, maar dit ging te ver.
            ‘Ik kan me niet inbeelden, dat men iemand gaat martelen om bekentenissen af te dwingen over…nou ja, wat jullie op het kasteel doen.’ Hij kon het woord prostitutie niet over zijn lippen krijgen. Jean-Pierre had toegestemd om deel uit te maken van hun organisatie maar het uitspreken dat hij zijn lichaam zou verhuren voor geld, was blijkbaar nog moeilijk.
            Katarina beet op haar lip, terwijl ze aandachtig de wagen bestuurde. Ze keek even opzij naar Jean-Pierre met een vertwijfelende blik. Zou ze hem de waarheid vertellen? Wat maakte het uit. Ze waren nu al zo ver. Katarina had met de aanval op de SM-meiden een weg ingeslagen waar ze geen rechtsomkeer meer kon maken.
            ‘Weet je, Jean-Pierre…het had niet mogen zo lopen, maar zonder dat ik het wou, ben ik verliefd op je geworden.’ Ze legde haar hand op de dij van Jean-Pierre. Hij voelde de koelte van haar hand door de stof van zijn broek. Katarina zweeg, maar Jean-Pierre kon het een en ander vanzelf invullen. Katarina moest hem rekruteren voor het kasteel. Ze had trouwens bekend dat hij gescreend was, dus de ontmoeting met haar was geen toeval. Hij keek haar aan en zag een traan langs haar wang naar beneden glijden.
            ‘Katarina…,’ zijn stem stokte. Hij voelde hetzelfde. Deze vrouw in het rood had hem weliswaar verleid met de verkeerde motieven, maar hij had zijn hart aan haar verloren. Ze zaten in de penarie en hij wist niet hoe ze eruit moesten geraken en toch had hij zin om haar in zijn arme te nemen en hartstochtelijk te kussen.
            ‘Ik kan niet verwachten dat je bij me blijft,’ verbrak Katarina zelf de stilte. ‘Ik zou het je niet kwalijk nemen als je me zou verlaten en me nooit meer zou willen zien. Maar ik kan er niets aan doen…ik hou van je zoals ik nog nooit van iemand heb gehouden. Eigenlijk wil ik niet meer dat je voor mijn moeder zou werken.’
            Jean-Pierre had naar haar geluisterd. Hij had gehoord dat haar stem bijna brak bij haar bekentenis. Haar hand op zijn dij had zich verkrampt uit vrees dat hij haar zou bevestigen en vragen om te stoppen en uit zou stappen en weggaan zonder nog een keer om te kijken.
            Hij schraapte zijn keel. ‘Ik kan niet zeggen dat ik me niet verontwaardigd voel, als ik denk aan de manier hoe we elkaar hebben leren kennen. Maar ik zou liegen als ik zou zeggen als ik niets voor je voel. Integendeel, Katarina.’
            ‘Echt waar, Jean-Pierre?’ Ze lachte naar hem door haar tranen heen. ‘Je weet niet hoe blij je me maakt. Ik maak het allemaal weer goed, ik beloof het je. Het zal de moeite waard zijn.’ Haar hand op zijn dij ontspande zich nu.
            Het duurde allemaal maar een aantal seconden. Juist op het moment dat Katarina naar Jean-Pierre keek met een dankbare blik, kwam een tegenligger uit de bocht die het niet nauw nam met de ononderbroken witte lijn in het midden van de weg. Katarina zag het te laat en probeerde nog bij te sturen naar rechts, maar het was te laat.
            De zware terreinwagen schampte hun bestelwagen en daardoor begon hun auto te tollen. Katarina kon de wagen niet meer onder controle krijgen en ze vlogen door de omheining in een lager gelegen weide met een greppel. Hun vaart werd met een klap gestopt en de airbags van de auto klapten open. De wagen was blijven zitten in de ondiepe beek die de weide omringde.
            Een onheilspellende stilte volgde op de slippartij. Er waren glasscherven en stukken bumper die getuigden van de hevige klap van de beide wagens. Hun aanrijder was even verder tot stilstand gekomen. Er kwam rook uit het bestelwagentje. Noch Katarina noch Jean-Pierre gaven teken van leven.

© Rudi J.P. Lejaeghere
12/10/2014


Requiem: Hoofdstuk 6 (1e deel)







6



            Inspecteur Norino Vastai las voor de zoveelste maal het briefje door dat hem via  postzending was toegezonden. Niettegenstaande de moeite die zijn collega’s hadden gedaan om de afzender van het bericht op te sporen, hadden deze pogingen niets opgeleverd. Het was ook onmogelijk gebleken om de persoon in kwestie via de specifieke plaats op te sporen waarvan het bericht was verzonden.
De lasercodering van de zending gaf aan dat de brief was gepost in postbus 2509 Sanctuary. Maar zelf met de vele vaste camera’s in de straten of de mobiele spybots die sommige delen van de stad surveilleerden kon men de postbussen niet allemaal screenen. Misschien zou dit wel mogelijk geweest zijn, in de wetenschap dat men die brievenbus in het oog moest houden, als men een aantal camera’s vooraf had geprogrammeerd. Het bleek na onderzoek van de betreffende postbox dat die juist in een dode hoek van de vaste camera’s stond. Toeval of bedoeld?
Niet dat Norino Vastai in eerste instantie de tekst niet kon ‘lezen’ of dat hij niet wist wie die ronkende vreemde woorden ooit had geschreven. De databanken  van voor de ‘Grote Oorlog’ waren gelukkig voor de mensheid bewaard  gebleven en hadden hem al de naam van de oorspronkelijke schrijver van deze woorden onthuld. Die hadden prijsgegeven dat hij een uittreksel van het ‘Requiem’ van Mozart in de hand had. Helaas was de vertaling van deze tekst niet beschikbaar in de databanken van de veiligheidsdienst en het was een taal die hij niet machtig was. De geschiedenis van vóór de vernietiging van een deel van de wereld was een stukje relikwie en een stille getuige hoe de mens zijn eigen ondergang in de hand had gewerkt. Er waren boeken, muziekstukken, biografieën, foto’s van monumenten en bezienswaardigheden en veel andere dingen in deze databanken bewaard. Hij keek naar het zwierige handschrift en las het briefje nog eens door.

Dies irae, dies illa
Solvet seaeclum in favilla,
Test David cum Sybilla.

Quantus tremor et futurus.
Quando Judex est venturus
Cuncta stricte discurrus.

De dienst vingerafdrukken had niets bruikbaar kunnen ontdekken aan het papiertje. Het was van een gerecycleerd soort dat overal verkocht werd – echt papier was peperduur geworden - en het chemisch onderzoek naar de inkt of eventueel DNA op het papier had ook niets aan het licht gebracht. Geen zeldzame inktsoort die hen in een bepaalde richting of winkel kon sturen. Gewoon een vlekkeloos beschreven papiertje zonder sporen.
Nog een geluk bij een ongeluk dat een van zijn collega’s naast zijn diploma criminologie en nog een paar andere getuigschriften in zijn jeugdjaren nog was klassieke en teloorgegane talen had bestudeerd. Een dode taal als het Latijn werd niet meer opgenomen in de lesroosters van de Nieuwe Wereld. De voertaal was het Engels, zowel in het bedrijfsleven als voor de wetenschappelijke wereld, zelf de mensen in de medische sector die in het begin van de 21e eeuw nog gebruik maakten van vele Latijnse termen waren daarvan afgestapt. Maar nu was Norino blij beroep te kunnen doen op dat stukje kennis van die collega. Een vertaalbureau zou trouwens weer een extra post zijn op zijn maandelijkse onkostennota waar de directie nog maar eens op zou vitten en beknibbelen. Heden ten dage moest iedere cent verantwoord worden, tot in het extreme toe. Daarom las hij nu op een bijgevoegde digitale nota van zijn collega, de uitgetypte vertaling van dit anonieme vreemde bericht:

Dag van de gramschap, die dag der dagen
Welke de wereld in as zal leggen,
Zoals David en Sybilla getuigen

Welk een angst zal er zijn,
Als de  Rechter zal komen,
Om alles rechtvaardig te oordelen.

Voor de volledigheid had zijn collega en vertaler eronder bijgeschreven: ‘Uittreksel en vertaling uit het “Requiem” van Mozart.

Normaal gezien zou men Norino Vastai nooit ‘dit’ bericht hebben doorgegeven. Maar onderaan de Latijnse tekst stond in zwierige letters een vraag. Een vraag die niet in het Latijn was gesteld. Het was geschreven in Norino’s landstaal. Die woorden die hij al zeker tien keer had gelezen deden de hoofdinspecteur bezorgd de wenkbrauwen fronzen.
Wie is de volgende na Suzy Chang?



……….



Hij zat in lotushouding naakt op een grijze koude betonnen grond. Onbeweeglijk als een paspop of een wassen beeld. De ogen gesloten. Enkel de verticale en horizontale bewegingen achter zijn gesloten oogleden getuigden dat het hier niet om een pop maar om een levend wezen ging en dat die persoon klaarblijkelijk in de fase van de  remslaap verkeerde.
Beelden van bloed, gehuil en geschreeuw vulden zijn dromen. Een glimlach lag verstard om zijn lippen. Hij hoorde het smeken en het om vergiffenis bidden, het wenen van zijn slachtoffers in het besef van hun zonden. Zondaars die hij op de goede weg had gezet. Iemand die zijn fouten inzag en om vergiffenis smeekte, werd de gepaste genade verschaft. De genade van de dood. Het uitwissen van hun misdaden in het wassen van hun eigen bloed, dat was de enige manier om hen te reinigen van hun zonden.
Tussen zijn handen die ontspannen op zijn knieën rustten was duidelijk zijn erectie zichtbaar. Zo bleef hij zitten in zijn wereld van gruwel en dood. Zowat een half uur lang zonder enig uiterlijk teken van leven te geven, bleef hij in dezelfde positie zitten. Toen stond hij plots in één vloeiende beweging recht uit zijn zittende houding en opende tegelijkertijd de ogen.
Voor hem stond een klein verhoog, een soort van altaar waarop hij verschillende voorwerpen had tentoongesteld. Aan elke kant van deze voorwerpen bevonden zich vier kaarsen die in de schemerige ruimte rondom hem griezelige schaduwen wierpen op de ruwe muren. Zijn naakte gestalte werd in een veelvoud geprojecteerd op de wanden van die muren. Een luguber schaduwspel.
Hij streelde met eerbied over het altaar en de dingen die hij had verzameld. Fetisjen, bewijzen van zijn overwinningen, de verloren schapen, de geredde kudde. Hoelang was hij al niet bezig om de misleidden op het juiste pad te brengen. Hij nam voorzichtig een haarlok die hij in een doorzichtig plastiekfolie had verpakt op, opende het pakje en rook met hartstocht aan de haren, vouwde de folie terug toe en legde het terug op zijn plaats. Zo deed hij met al de objecten die op het altaar lagen.
Exaudi orationem meam, ad te omnis caro veniet. Luister naar mijn gebed; tot U komt al het vlees,’ prevelde hij nadenkend in het Latijn terwijl hij een stukje huid ter grote van een geldstuk in zijn beide handen nam en aan de foto offerde die achter op het altaar stond. Nadat hij deze rituelen had verricht nam hij de Nihonto uit de houder die ook op het altaar stond en trok die uit de schede die hij in de houder op het altaar teruglegde.
Hij wendde zich naar rechts waar zich nog een deur bevond. Een deur die naar een andere ruimte voerde die net zo schemerig was als de kamer met het altaar. Aan een haak aan de linkse kant van de deur hing een groot wit doek die hij over zich drapeerde. Twee gaten in het doek ter hoogte van zijn ogen maakte het hem mogelijk om zijn weg te vinden. Hij opende de deur naar die andere kamer en verliet zijn persoonlijke intieme tempel.
            Aan zware kettingen die vast geankerd waren in de muur hing een man. Toen de witte gedaante de kamer binnenkwam had de man amper het hoofd bewogen. Toch had hij iets gehoord en er klonk een jammerend geluid uit zijn keel dat door been en merg sneed. Het was angst die in klanken uit het strot van de gevangene geperst werd. Een geluid dat langzaam aanzwol naarmate de witte gedaante naderde.




……..