maandag 22 februari 2016

Requiem: Hoofdstuk 41 (1e deel)









41



            Michael II werd om een middernachtelijk uur gedropt op bijna dezelfde plaats waar zijn voorhanger zoveel jaar voorheen de Nieuwe Wereld had betreden. Door het feit dat Michael II een Japanner was zou hij minder opvallen dan een westerling. Uit zijn rugzak haalde hij de nodige kledij waarin hij niet zou opvallen. De lange anorak die alles zou moeten verbergen wat hij bij zich droeg en een bijhorend hoofddeksel. Met de korte opvouwbare pioniersschep die al eeuwen tot de standaarduitrusting van iedere soldaat behoorde, zelf nu in de 22e eeuw, maakte hij in een recordtempo een holte waar hij de overbodige uitrusting die hij nu niet nodig had, kon verbergen.
            Zijn wapens, twee 9 mm Parabellum GP-pistolen met elk een lader van dertien patronen stak hij bij zich in de daartoe speciaal gemaakte holsterband. Het was een soort van multifunctionele gordel die hij onder zijn regenjas droeg en waar hij ook nog een aantal Flashbanggranaten  aan kwijt kon om de vijand te verwarren als dit nodig moest blijken. Een aantal andere varianten had hij ook nog in voorraad. De scherfhandgranaten waren van een gevaarlijker type. Ze barsten uiteen met een grote knal, heel krachtig als explosief en door het feit dat ze uiteenspatten in vele stukken metaal. Deze soort wapens werden vaak gehanteerd tegen vijandelijke militairen en materieel. Deze vonden ook hun vakje in zijn gordel. Daarna nog twee Spyderco Military M4 Sebenzamessen. Een plooimes nam immers niet veel ruimte in en was altijd handig. Een M26-taser met bijhorende accu die volledig was opgeladen kreeg ook nog zijn plaatsje. Gelukkig viel zijn lange vest nogal ruim en was hij van figuur uit nogal breed geschouderd en heel wat smaller van taille zodanig dat al deze attributen niet echt opvielen omdat de jas een maatje groter was gekocht.
            Daarna kon hij op stap. Met zijn nachtkijker van de vijfde generatie die een ‘mean time to failure’ of MTTF van 20.000 tot 35.000 uur had waardoor hij zich op tijd kon verstoppen, vermeed hij enkele ontmoetingen met patrouilles langs de Deeplands. Toen hij de standsrand naderde begon het aan de horizon klaarder te worden. Goed getimed! Zijn nachtkijker was ondertussen ook al verborgen in een tas die hij bij zich droeg. Hij leek met zijn regenjas, hoed en tas op een zakenman op weg naar zijn werk. Aan de eerste praatpaal riep hij een taxibot op die hem naar het centrum van Sanctuary zou brengen. Daar zou hij zijn eerste doel opsporen en vernietigen. Hij stelde zijn chiplezer in op de code van zijn prooi: Michael I.



……..




            Eagle Eye had met de hulp van Gekko, die hem de nodige instructies gaf, de autobot waar Stephen mee was ontvoerd, uiteindelijk dan toch open gekregen. Voor de juiste code, een adres! Ondertussen had Gekko ons bij zoveel gelegenheden geholpen, dat ik mij er soms schuldig onder voelde. Ons vermoeden werd direct bevestigd toen de deur openschoof en we in de hoek een persoon zagen liggen. De vermiste collega! Gelukkig toen we de deur openden, lag hij buiten het bereik van een camera die eventueel kon binnenkijken. Door de donkere vensters was toch niets te zien, dus van die kant was niets te vrezen.
            Eagle Eye had voorgesteld om de wagen te vernietigen. Hij zou hem naar de Deeplands rijden en in brand steken. Met een beetje geluk werden alle sporen opgelost als hij het juiste materiaal zou gebruiken. Hij weidde hierover niet uit, maar blijkbaar had hij wel de beschikking over de nodige materialen om dit tot een goed einde te brengen. Mijn vrienden slaagden er noch steeds in om me te verrassen. Ze hadden allemaal verborgen kantjes en eigenschappen die op het gepaste moment boven water kwamen. Gelukkig maar.
            Nadat Eagle Eye met autobot en het lijk van parkingwachter van de ondergrondse garage wegzweefde, besloten we Stephen dan toch niet als vermist op te geven. Het zou ons in een moeilijk parket plaatsen. Gezien zijn status zou de Veiligheidsdienst die zaak onder handen nemen en zijn spoor ook naar de parking terugvinden. De bediende zou ons zo kunnen identificeren en leg de zaken dan maar uit. Dagenlange verhoren en de daarbij horende verdachtmakingen, misschien zelfs dat ze ons in verzekerde bewaring hielden. Het zou onze zaak zeker niet helpen.
            Eagle Eye zou het op een ongeluk laten lijken. De taximaatschappij die verzekerd was tegen diefstal zou het dan als een verzekeringsgeval kunnen klasseren. Kassa, kassa, zeker voor een autobot die al een tijdje meedraaide in het dagelijkse drukke verkeer. De politie zou wellicht denken dat de parkingwachter de dief van de autobot was, als ze nog resten van het lijk vonden. Een identificatie na een hevige brand is altijd een moeilijk geval. Jammer voor die man, maar ze konden toch niets meer voor hem doen. Voor zo’n geval zou de pers niet veel ruimte vrijmaken in hun berichten, er waren grotere nieuwskoppen. De kans dat de bediende die ons had geholpen in de ondergrondse garage  een en een optelde was hoogstens onwaarschijnlijk. Hij zou waarschijnlijk zelfs blij zijn dat hij er zo goed vanaf was geraakt. Het was voor ons de beste optie waarvoor we dan ook unaniem kozen.
            Ji en ikzelf moesten een middel vinden om Jack Sterlington uit het ziekenhuis weg te halen. We hadden samen heel wat slagkracht als Rode Cirkels in de Kami Akai, maar een gewelddadige inval en recuperatie van de heer Sterlington was nu weer niet de manier om zonder de nodige aandacht zo’n klus te klaren. We begaven ons terug naar mijn appartement om ondertussen wat te brainstormen. Via mijn oortje hoorde ik ook van Gekko dat hij nog geen succes had met de 179 gevallen uit de ondergrondse parking die hij aan het volgen was. Het zou een werk van langere adem zijn, ik hoorde de frustratie in zijn stem zo in mijn oor vloeien. Ik wenste hem van harte goede moed en sloot af.
            Met Ji’s glaasje melk en ik wat water voor ons op tafel, zaten we beiden met onze handen in het haar. ‘Ik veronderstel dat Jack Sterlington bewaakt zal worden. Dus is dat volgens mij het eerste en misschien het grootste probleem. Hoe geraken we langs deze bewaking. Een afleidingsmanoeuvre ligt voor de hand. Maar hoe we dat kunnen klaarspelen is andere koek. Voor zover dokter Saburo Shimazu het ons goed heeft doorgegeven wordt de kamer maar door één iemand bewaakt. We zouden misschien best even de plaats gaan verkennen. Wat denk jij, Ji?’
            Ji had een wit snorretje en ik gaf even een teken en wees naar zijn lip en zijn glas dat ondertussen al leeg as. Hij veegde met de achterkant van zijn hand over zijn mond zodanig dat hij weer presentabel was. ‘Ik denk dat we ons best wat vermommen of zo. Zonnebril, pet of vest met capuchon. We moeten nu niet direct met onze identiteit te koop lopen op een plaats waar we straks iets gaan uitproberen.’
            Dat was een goed idee. ‘Misschien had je beter je witte snor laten staan, een goede vermomming,’ plaagde ik Ji. ‘Zo’n melkmuil zouden ze toch nooit wantrouwen, heb ik gelijk of heb ik gelijk?’
            Ji fronste even gemaakt verontwaardigd zijn wenkbrauwen, maar de lichte grijns op zijn lippen zei dat hij de humor van de situatie wel kon waarderen. We waren allemaal sinds dagen door alles wat er gebeurd was zo opgefokt dat we elkaar probeerden moed in te spreken door allerhande gekke opmerkingen.
            Ikzelf mocht er niet aan denken, dat Stephen nu in handen was van Michael. Zou ik hem verliezen, zouden we nog op tijd komen om hem te redden? Ik wou bijna weer Gekko lastig vallen om te informeren of hij nu al iets wist, maar het was nauwelijks een half uur geleden dat ik hem had gehoord. Nu was het Jack Sterlington die onze directe aandacht nodig had. Als Gekko iets vond in verband met Stephen zouden we het de volgende seconde erop horen en konden we onze plannen naargelang de situatie aanpassen. Ik ging op zoek in mijn kasten naar accessoires die ons uiterlijk wat zou veranderen.
            Een vest met capuchon was geen probleem, daar had ik er zeker een drietal van hangen. Zonnebrillen, ook aanwezig in alle maten, maar ik wist niet of Ji een van die zou willen dragen. Misschien dat de aandacht dan meer dan minder op hem zou gevestigd worden. Uiteindelijk kozen we voor hem een grijze korte mantel met een puntkap. Ik had nog een rastapet, maar dan zonder de dreadlocks en ik zou mijn haar verven in een lichtbruine kleur. Met een lichte zonnebril voor allebei zou men ons niet direct herkennen. Het was niet ons normaal plunje en een mens is een gewoontebeest. Onze hersenen slaan een bepaald beeld op van iemand en als dat typebeeld dan afwijkt van hetgeen we verwachten wordt de klik niet gemaakt en herken je iemand moeilijker dan in zijn gewone kledij. Daarop rekenden we toch.
            Met mijn autobot waren we in een mum van  tijd in het Stadziekenhuis van Sanctuary waar men Jack Sterlington in veilige bewaring hield tot hij hersteld was. We liepen de inkomsthal door en keken een tijdje naar het bord waarop te lezen stond waar de verschillende afdelingen zich bevonden. Jack Sterlington bevond zich in een afdeling die aansloot op de afdeling ‘Spoed’ en die gereserveerd werd voor de gevallen die wachtten op een definitieve kamer. We namen van de ontvangstbalie een folder met het plan van het ziekenhuis en liepen zomaar wat rond om onze eventuele vluchtroute te bestuderen. Een heel belangrijke opdracht! Wat had het van nut iemand te bevrijden uit zijn kamer om honderd meter verder in een doodlopende gang te stranden.
             Uiteindelijk kwamen we in een soort ronde ruimte waar de gang naar de bewuste kamer waar Jack werd vastgehouden op uitkwam. We begonnen een  gesprek over koetjes en kalfjes en ik keek over de schouder van Ji de gang in. Shit! Voor de voorlaatste kamer zat een nogal corpulent persoon wat te bladeren in een tijdschrift. Gezien dit de enige kamer was waar men iemand had gepost, veronderstelden we dat dit ‘de’ kamer moest zijn waar Jack lag. We liepen wat terug en zetten ons in een soort wachtlounge waar we stilletjes probeerden onze strategie vast te leggen.

..........

copyright Rudi J.P. Lejaeghere



zaterdag 20 februari 2016

We are who we are, aren’t we, Jack?




We are who we are, and that is the naked truth,
The children of our parents, the old and the youth,
My father’s angrily grin, I see inside the mirror,
The madness of my mother’s eyes, even nearer,

I speak to them through this glass of reflection,
In manners and tics, a heritance of complexion,
Sometimes I’m proud, sometimes I’m ashamed,
Who’s responsible, and who to be blamed?

Still I claim their name, a gory tale of standing tall,
Of walking straight, to remember, and of course to recall,
That we are who we are, the putrefying, the remainder of the windfall.

So I fear and I tremble, shiver before I go mental,
They say I must hurry and by no means be gentle,
The night is my cloak, my dagger, my only protection,
I cut and I slice, it’s the price of my habit’s perfection,

The blood in the black of the night is the color I like,
The sounds of the cries, the screams when I strike,
It’s the dance of death, a whirlpool of red, a ripper’s ballet,
It’s a rave that I lead, that I need, the reason I slay.

We are who we are, so I wouldn’t change or alter a thing,
Not for a life full of flatness, not for a beautiful wife or a dull human being,
I’m the Ripper and my name is Jack, the one and only, the slayer’s King.

© Rudi J.P. Lejaeghere
20/02/2016


We zijn wie we zijn, is het niet, Jack?




We zijn wie we zijn en dat is de naakte waarheid,
Kinderen van onze ouders, schepselen van deze tijd,
Ik herken mijn vaders woeste blik in de spiegel,
De gekte van mijn moeders ogen, haar gegiechel,

Ik spreek met hen via de reflectie van dit stuk glas,
Met hun maniertjes, hun tics, die erfenis komt me van pas,
Soms ben ik heel fier, soms wel een beetje beschaamd,
Wie is hier verantwoordelijk voor, wie heeft dit beraamd?

Toch draag ik hun naam, een goor verhaal van arrogantie en trots,
Een vertelling van hoogmoed, de souvenirs van de jagers, de nimrods,
Dat we zijn wie we zijn, het rottende, het overblijvende, de stinkende kots.

Zo vrees ik, tril ik, huiver vooraleer ik volledig door het lint ga,
Ze zeggen dat ik mij moet haasten en vooral niet lief zijn zegt mijn pa, 
De nacht is mijn mantel, mijn dolk, mijn enige bescherming,
I steek en ik snij, de perfecte prijs, mijn soort van beloning,

Het bloed in het donker van de nacht is de kleur die ik verkies,
De klanken van het geschreeuw, het gekerm waarin ik mij verlies,
Het is een dodendans, een draaikolk van rood, een snijdersballet,
Het is de slacht die ik leid, waar ik nood aan heb, de ultieme pret.

Ik zou er niets aan willen veranderen want we zijn nu eenmaal wie we zijn,
Ik zou nooit willen ruilen voor een kleurloos leven vol smaakloze wijn
Ik ben de Ripper en men noemt mij Jack en de Koning van de pijn.


© Rudi J.P. Lejaeghere
20/02/2016




zondag 14 februari 2016

Intention













It’s not always the intention that counts,
In love, there’s always a fierce battle
Between doing and guessing what’s right,
And sometimes you’re so ‘F’ wrong,
Count your own blessings instead in the morning,
Because the lightning can strike on that bright
Sunny day that is coming.

There’s the candle on the cake that lights
The fruit upon it, that gives the flavor
To the spice, it’s the salt in the endless sea,
The color on a monochrome day,
A laughter between the tears we sow,

They are all little things we have to know,
To look for it in the deepest of our mind,
Remind me of them when I’m lost again,
Tell me about it when I’m old or insane,

And maybe, hopefully, I’ll hear it then,
More than today I should listen to the sound
Of our love, a whale song on the breeze
Of the waves, a tune where I can surf upon,

Next time I’ll look for the wind before I leap.

© Rudi J.P. Lejaeghere
14/02/2016











Intentie













Het is niet altijd de intentie die telt,
In liefde is er altijd een felle strijd
Tussen wat je doet en wat je denkt dat juist is,
En soms ben je zo ‘F’ verkeerd,
In plaats daarvan tel je zegeningen in de morgen,
Want de bliksem kan inslaan
Op die zonovergoten dag die gaat komen.

Je hebt de kaars op de taart
Die het fruit erop verlicht, die smaak geeft
Aan het eten, het is het zout in de eindeloze oceaan,
De kleur op een zwart-witte dag,
Een gelach tussen de tranen die we zaaien,

Het zijn allemaal kleine dingen die we moeten leren,
Ernaar zoeken in het diepste van onze geest,
Herinner me aan deze zaken wanneer ik weer verloren ben,
Vertel me ervan wanneer ik oud of zwakzinnig word,

En misschien, ik hoop het, zal ik het horen,
Meer dan vandaag zal ik luisteren naar de geluiden
Van onze liefde, een walvislied op de bries
Van de golven, een melodie waar ik op kan surfen,

Volgende keer zal ik mij leggen in de de wind alvorens ik spring.

© Rudi J.P. Lejaeghere
14/02/2016







The Shadows
















There’s that little dark feeling
Lurking in the corner of my mind,
My thoughts tiptoe around it
Afraid to wake it, to stir it,
To call upon the shadows,
Being around it makes me shiver,
A fever creeping through my veins.

Sometimes it’s red and pulsing,
Full of hate and anger,
Ready to explode,
A dormant volcano inside my head,
And underneath the heat
Of lava, that flows in flames
Searching for a way out, to burst,

It flies and cries like the raven,
Crawls and gnaws like rodents on my soul,
I put my hands deep into my pockets,
Fists denying what the sounds
Coming from the shadows of that corner
Are demanding of my body,
A fight that one day I will lose for sure,

How can I escape these noises
That drive me mad
But to let it overwhelm my senses.

© Rudi J.P. Lejaeghere

14/02/2016


De Schaduwen















Er is dat kleine donkere gevoel,
Loerend in de hoek van mijn geest,
Mijn gedachten trippelen er omheen
Bang om het wakker te maken, het aan te porren,
De schaduwen oproepen,
In de omgeving ervan zijn doet me rillen,
Een koorts die door mijn aders kruipt.

Soms is het rood en pulserend,
Vol van haat en woede,
Klaar om te ontploffen,
Een slapende vulkaan in mijn hoofd,
En ondergronds de hitte
Van de lava, die vloeit in vlammen,
Zoekend naar een weg naar buiten, om uit te barsten,

Het vliegt en krijst als de raaf,
Kruipt en knaagt als knaagdieren aan mijn ziel,
Ik stop mijn handen diep in mijn zakken,
Vuisten die ontkennen wat de geluiden,
Komend uit de schaduwen van die hoek
Mij vragen van mijn lichaam,
Een gevecht dat ik zeker op een dag zal verliezen,

Hoe kan ik ontsnappen aan deze geluiden
Die me gek maken
Dan mij door hen te laten overwinnen.

© Rudi J.P. Lejaeghere

14/02/2016


Requiem: Hoofdstuk 40 (2e deel)













……..




            Op de terugweg van de supermarkt, mijn autobot volgeladen met potgrond, zaden, stekjes en andere agrarisch tuig kreeg ik een berichtje van Eagle Eye. Ik moest direct naar Gekko’s appartement komen. Er waren nieuwe problemen opgedoken, meer zei hij niet en haakte af. Ik dacht direct aan Stephen. Waarom had ik hem niet gebeld? Ik nam in een automatisme mijn mobieltje en belde direct zijn nummer. Het ging over maar weer nam niemand op. De ongerustheid kwam op me af als een niet te ontwijken obstakel. Er was iets en Eagle Eye en de rest wist het al.
            Zonder aarzelen nam ik de automatische besturing over en schoot uit de voorgesorteerde file, kon nog net een aanstormende autobot ontwijken, maar duwde op de snelheidsknop waardoor de autobot als een flits vooruit schoot. Wellicht kreeg ik binnen de paar uur een digitaal bericht binnen met een fikse boete, maar het kon me niet schelen. Ik wilde zo vlug mogelijk weten wat er met Stephen was.
            Toen ik uiteindelijk binnenstormde en Gekko, Eagle Eye en Ji Lang rustig zag keuvelen en zei verrast door mijn wilde entree met open mond me zaten aan te staren, kon ik enkel maar buiten adem stamelen. ‘Stephen…Stephen…?’
            Eagle Eye nam me in zijn grote armen. ‘Kalm maar, meisje. Het is onze andere man uit het Westen, Jack Sterlington die in de penarie zit.’ Hij vertelde me het laatste nieuws. Het verhaal dat Ji Lang van zijn vriend, dokter Saburo Shimazu die Jack de eerste zorgen had toegediend had gehoord. Ja, dat was natuurlijk een probleem die we moesten oplossen. Maar ik voelde me vooral ongerust over het briefje dat Jack de dokter had toegestopt.
            ‘Je zegt toch dat die Jack een waarschuwing doorgaf dat Stephen gevaar liep. Ik weet wel dat we hem hebben zien vertrekken, maar ik heb al twee maal geprobeerd hem op te bellen en hij neemt gewoon niet op. Eagle Eye, dit is niet normaal, het voelt niet goed aan… is hij ginder niet door die senator in moeilijkheden gekomen? Of, of…ik weet het niet, maar ik ben bang dat er iets heel fout is. Ik voel het. Noem het een zesde zintuig, maar iets loopt hier erg verkeerd.’
            Gekko keek me over zijn brilletje met een ernstige blik aan. ‘Yu, je weet dat ik in al dat gedoe van voorgevoelens en zesde of meer zintuigen en zo niet erg geloof, maar je kan gelijk hebben om andere redenen. We zullen dit direct even checken.’ Hij raadpleegde direct zijn computer en vertelde ons dat hij de lijsten van de passagiers aan het checken was van de vlucht die Stephen naar New York had genomen. ‘Ja, hier staat hij, Stephen March zetel 3C eerste klasse. Je moet je dus geen…,’ zijn stem stokte.
            ‘Wat, Gekko? Zeg dan iets, hou ons niet in spanning. Wat zie je?
            Gekko stak zijn hand op en raadpleegde nog even een paar andere gegevens. ‘Stephen stond geboekt voor de vlucht…maar is niet komen opdagen! Ik lees hier een memo van de vluchtleiding dat het vliegtuig nog een tiental minuten is blijven wachten omdat Stephen een belangrijke diplomaat was maar dat hij niet bereikbaar was en dat ze zonder hem zijn vertrokken.’
            Er viel een stilte en ik hoorde mijn eigen hart als een voorhamer in mijn borst slaan. Wat betekende dit? Als hij het vliegtuig niet had gehaald, zou hij ons zeker al hebben gecontacteerd met die info. Neen, er  was iets gebeurd buiten zijn wil om. ‘Gekko, kan je via je computer en de camera’s de route die Stephen gevolgd heeft reconstrueren, of misschien via zijn chip hem lokaliseren?’ Gekko knikte en begon een aantal programma’s te laden en instructies in te geven.
            ‘Ik kan hem niet via zijn chip vinden,’ kwam er nogal heel vlug als antwoord. ‘Even wat anders proberen. Zo,’ zei hij veel vlugger dan ik had verwacht, ‘hier stapt hij in en vertrekt…we springen nu naar een andere camera waar hij zou moeten passeren om naar de luchthaven te zweven…hmm, vreemd, misschien heb ik iets over het hoofd gezien.’ Hij herhaalde nog een aantal maal en ik zag dat hij zich begon te enerveren. Een tic die ik van hem kende, zijn linkerbeen begon op en neer te wippen en dat betekende problemen. ‘Kom, Gekko, wat is er vreemd, vertel het me?’
            ‘De  autobot waarin hij gestapt is om hem naar de luchthaven te vervoeren is niet richting luchthaven gegaan. Ik heb hem hier terug, ja, op weg naar de binnenstad van Sanctuary. Geen probleem, we volgen hem op zijn traject.’ We zagen allemaal de autobot waarin Stephen normaal gezien zou moeten zitten.
            Gekko tikte de ene na de andere code in en we volgend ons doel op het scherm. Plots reed de auto een ondergrondse garage in. Gekko probeerde over te schakelen naar het interne camerasysteem van de garage maar blijkbaar gaf dit problemen. ‘Ik geraak wel binnen, hoe kan dat, dat kan toch niet! Ik heb hier de code van hun systeem, maar het scherm dat ik steeds krijg is van een uur later.’ Gekko controleerde een aantal gegevens. ‘Er is een uur gewist, zonder twijfel. Simpel maar heel doeltreffend.’
            We keken allemaal alsof hij een taal sprak die wij niet verstonden.
            ‘De wisseltruc,’ verklaarde hij zich nader, ‘de oudste truc die er bestaat. De man van de autobot, die naar ik veronderstel Stephen bij zich heeft, stopt in een ondergrondse garage, kent daar iemand of weet zelf hoe hij de camerabanden moet wissen en programmeren. Hij verdwijnt met een ander auto, de camera’s beginnen weer op te nemen maar de eerste autobot staat…hier!’
            Inderdaad zagen we het bewuste vehikel geparkeerd staan. Wat was er gebeurd? ‘Zou dit het werk van Stephen zijn. Is het een voorzorgsmaatregel van hem omdat hij misschien dacht dat hij gevolgd was of is hij…ontvoerd!’ Het was een woord die mij moeilijk over de lippen kwam, maar ik vreesde het ergste, gezien Stephen het vliegtuig niet had genomen.
            Iedereen was stil en keek naar mij. Ik voelde hun blikken branden en ik wist niet hoe ik daarop moest reageren. ‘Gekko, weet jij iets, kunnen we op een andere manier te weten komen waar Stephen zich bevind. Kan je nog eens proberen hem te spotten via zijn chipcode?’
            Gekko moest geen verdere aansporing krijgen, hij was al bezig met de satelliet te hacken en een zoekopdracht in te tikken. Maar ik las samen met mijn vrienden over zijn schouder het antwoord op zijn scherm: ‘Not found!’ Gekko herhaalde verschillende malen dezelfde routine maar het antwoord bleef steeds hetzelfde. ‘Als hij zijn collar aanheeft kunnen we hem sowieso bijna niet opsporen. Het zou op zijn minst een gestoord signaal zijn en nagenoeg onmogelijk om  te volgen.
            Ji had wel een schitterend idee. ‘Je kan toch via de straatcamera’s zien welke auto’s in die tussenperiode, de tijd dus dat het interne systeem van de garage gewist is, de garage verlaten hebben. Hoeveel uitgangen heeft die  garage?’
            Gekko was boos op zichzelf! Dat hij haar niet direct aan had gedacht. Maar hij liet zijn ijdelheid het niet winnen ten opzichte van zijn genegenheid tegenover zijn vrienden. Zeker toen zijn blik de mijne kruiste. Waarschijnlijk zag hij de paniek in mijn ogen. Ik moest mij vermannen. Stephen zou niet gebaat zijn met zo’n hysterisch gedoe. Ik was Kami Akai en moest mij ernaar gedragen.
            ‘Ik tel twee uitgangen. Ben nu bezig met de autobots te markeren die in het eerste uur uit de garage zijn weggereden en dat zijn er…179. Dat wordt puzzelen. Wat ik daarmee bedoel,’ want hij zag dat we weer onbegrijpend naar hem aan het staren waren, ‘is dat ik eerst het identificatienummer van alle auto’s zal nagaan en opzoeken of de autobots eigendom zijn en van wie. Als het leasevoertuigen zijn, zal ik nog andere systemen moeten hacken. Op die manier kan ik achter de identiteit van de huurder te komen. Maar als die ingeschreven staat op de naam van een firma, dan weten we nog niet de persoon die hem gebruikt en moet ik misschien in de interne databanken van die firma’s gaan rondneuzen. Het lijkt misschien op de spreekwoordelijke speld in een hooiberg zoeken maar ik verzeker je, dat ik vast tegen morgenmiddag weet wie er met die 179 autobots de garage uitgereden hebben.’ Daarbij keek hij naar mij en knikte me bemoedigend toe.
            ‘Kunnen wij ondertussen nog iets doen?’ vroeg ik rondkijkend op enige respons.
            ‘Laat ons misschien ter plaatse gaan en de autobot gaan bekijken of met de verantwoordelijke van de garage gaan praten. Misschien heeft die iets gezien of opgemerkt,’ opperde Eagle Eye.
            Een goed voorstel! Nou ja, het was beter dan hier werkloos toe te kijken hoe Gekko als een razende over zijn virtueel toetsenbord aan het tikken was en dingen deed waar we toch de eerste letter niet van snapten. Eagle Eye, Ji en ikzelf haastten ons naar beneden en stapten in mijn autobot die ik naar de bewuste ondergrondse garage programmeerde. Daar aangekomen parkeerden we ons op een vrij plaatsje en gingen te voet naar de plaats waar de autobot van het taxibedrijf stond.
            ‘Gekko, kan je even het taxibedrijf opbellen en vragen waar de chauffeur van de wagen ST656135 zich bevindt. Daar hadden we nog niet aan gedacht.’ Ik had terug mijn oortje bij me zodanig dat we in verbinding bleven met onze thuisbasis. Er volgde een stilte aan de andere kant en daarna hoorde ik een aantal onduidelijke stemmen. Die van Gekko herkende ik wel maar ik verstond niet wat hij zei.
            ‘Yu, ik had hier zojuist een zeer wantrouwige eigenaar van het taxibedrijf zelf aan de lijn. Gelukkig dat ik hem over een beveiligde lijn opbelde en dat hij mij niet kan traceren of ik zat in de moeilijkheden. De taxichauffeur is vermoord teruggevonden, de nek gebroken en achtergelaten in een steegje van Sanctuary. Gelukkig dat wij via de camera’s de taxibot hebben kunnen volgen, want zover ik begreep van de eigenaar was de transponder uitgeschakeld en kon het taxibedrijf de autobot niet meer situeren. Toen hij vroeg waar het vehikel zich bevond, heb ik maar wijselijk afgehaakt. Dus jullie hebben ruim de tijd om de wagen te inspecteren. Maar als ik jullie was, zou ik eerst even bij de beveiliging van de parking langsgaan. Misschien kunnen jullie je voordoen als mensen van het taxibedrijf? Ik kan jullie wel geen identificatiepapieren doorsturen maar ik doe een mail in hoofde van de eigenaar van de autobot en zal hem laten weten dat jullie op weg naar hem zijn.’
            Dank aan Gekko! Hoeveel keren had ik dat al niet gedacht. Zo’n whizzkid was werkelijk een formidabele troef als je die onder je vrienden mocht tellen. Het duurde nog wel een tiental minuten voor we wisten waar we ons moesten begeven om de nodige inlichtingen in te winnen, maar ondertussen zou de man van onze komst op de hoogte gesteld worden.
            In een klein kantoortje dat voor meer dan de helft gevuld was met een console met schermen en toetsenborden zat een jonge kerel, in een grijs pak met een vermoeide blik de schermen te bekijken. Toen we op de glazen deur tikten, schrok hij eerst, maar naar zijn volgende reactie te oordelen had hij de nodige gegevens van Gekko gekregen. De jongen spoedde zich naar de deur en ontsloot die met een rfid-kaart.
            ‘Kom binnen, er is hier wel niet veel plaats. Uw chef heeft mij zojuist laten weten dat jullie een vermiste taxi aan het zoeken waren. Het zal die ST656135 zijn, waar jullie zojuist naar stonden te kijken vermoed ik.’ De jongen glunderde, trots dat hij goed had opgelet en hun op die plaats had gespot.  
            ‘Inderdaad, jongeman,’sprak Eagle Eye met een diepe en ernstige stem. ‘De wagen is ontvreemd en hier achtergelaten. We zijn met verschillende groepen op zoek naar deze wagen en we hebben eindelijk geluk. Mag ik je vragen of je op de beelden iets kan zien of wie deze wagen heeft ontvreemd.’ Eagle Eye moest die vraag stellen, anders zou de jongen misschien onraad ruiken. Een eigenaar zou willen weten wie hij aansprakelijk moest stellen voor eventuele schade aan het voertuig. Al wist Eagle Eye al het antwoord op zijn vraag, hij hield zich van de domme.
            De jongen tikte het nummer van de wagen in en de camera toonde het beeld dat hij de ondergrondse garage binnenreed, maar toen kreeg hij ook noppes. Hij trok een paar keer de schouders op en probeerde het steeds opnieuw. ‘Blijkbaar mis ik hier een half uur en dan begint de camera weer op te nemen, maar de ST656135 is dan al geparkeerd en verlaten. Vreemd. Ik zou het vragen aan een collega want dan had ik geen dienst, maar die is verdwenen op die dag. Nou ja, ik kan het wel begrijpen, zo’n leuk en interessant werk is het nu ook weer niet, maar je kan toch ten minste de beleefdheid hebben om af te klokken en de bazen iets te laten  weten als het je niet meer interesseert.’
            We keken naar elkaar en zonder woorden begrepen we dat er met die collega iets heel ergs zou gebeurd zijn. ‘Bedankt voor je hulp, wij verwittigen de takeldienst en zullen de autobot straks komen ophalen. Je levert hier goed werk.’ We gaven hem een hand en vertrokken om nog maar eens naar de autobot te gaan kijken.
            Gezien de donkere ramen konden we niets onderscheiden binnen de autobot. We keken even rond de auto en Ji vond een paar donkere stippen op een van de treden van het voertuig die aan bloedspatten deden denken. ‘Ik denk dat ik weet waar men de collega zal vinden,’ zei Ji en hij knikte naar de autobot.
            Ik moest even slikken. Michael had eerst de taxichauffeur de nek gebroken, het voertuig gestolen, Stephen ontvoerd en hier naar alle waarschijnlijkheid een veiligheidsbediende  vermoord en in het gestolen voertuig gedumpt. We waren inderdaad van plan het voertuig te takelen, maar nu stonden we voor een dilemma. De jongen had een vervalste mail van het taxibedrijf met onze beschrijving en had onze gezichten gezien. Als we de wagen ophaalden en hij las later dat er een lijk in was gevonden, was er een kans dat hij één en één optelde en de politie inlichtte. Wat nu?



……..



            Hij was wakker gekomen met een kater van jewelste. De laatste tijd was zijn alcoholverbruik exponentieel gestegen. Norino Vastai weet het aan de stress. De zaak had zijn leven op zijn kop gezet. Als vrijgezel had hij aan niemand rekenschap te geven. De tijd dat hij zich bijna ieder dag moest verontschuldigen tegenover zijn vrouw voor de late uren en de onregelmatige werktijden die hij draaide, waren voorbij.
            Zijn vrouw was vertrokken en hij had zijn leven in eigen handen. Misschien zou hij de zaak wat meer aan zijn adjuncten kunnen doorschuiven. Trouwens dit zou wegens zijn leeftijd zeker en vast te verantwoorden zijn. Maar zijn karakter werkte dit niet in de hand. Norino Vastai ging slapen met zijn werk en kwam er ook weer mee wakker. Zijn maîtresse was een veeleisende dame. Soms dacht hij dat het sop de kolen niet waard was. Als je in zijn positie de statistieken onder ogen kreeg hoeveel zaken er onopgelost geklasseerd werden, zou je voor minder moedeloos worden. Waarom stond je dan nog iedere dag weer op met nieuwe moed of was het met de moed der wanhoop? Je zag het reeds in de spiegel wanneer je je scheerde, de blik die je jezelf toewierp. Heeft het allemaal wel zin, maak ik een verschil? De voldoening van een opgeloste zaak kon je vergelijken met een drug. Je raakte eraan verslaafd. Je deed er alles voor. Lange uren kloppen, onbelangrijke details nagaan en uren posten om een glimp op te vangen van een eventuele verdachte. Soms had je geluk, maar soms was het ook allemaal verloren tijd.
            Hoeveel had het hem gekost en hoeveel had het hem opgebracht? Als hij de balans zou maken op dit moment zou hij het niet weten. Op persoonlijk vlak had het hem zijn sociaal leven en tevens zijn huwelijk gekost maar aan de andere kant had hij tijdens zijn lange loopbaan de maatschappij veiliger gemaakt. Menig crimineel zat achter de tralies en zwoer wellicht wraak tegen zijn persoontje. Norino Vastai was niet geliefd in het criminele milieu. Maar deze zaak maakte hem kierewiet. Hij had gelukkig zijn adjuncten die veel van de taken van hem overnamen, maar uiteindelijk lag de verantwoordelijkheid bij hem. Hij had ook niets meer gehoord van directeur Jiro Taketani.
            Misschien had de man een onderzoek gestart en was er ondertussen overleg op een hoger echelon. Norino werd niet op de hoogte gebracht en had de indruk dat er in deze zaak belangen speelden die voor hem werden verzwegen. De zaak had een politiek geurtje gekregen en dat stond hem niet aan. Hoe kwam het dat de moordenaar zo lang uit de handen van zijn diensten kon blijven? Hoe meer hij erover dacht, hoe meer hij ervan overtuigd was dat er een mol was die de moordenaar op tijd de nodige info toespeelde, zodanig dat hij uit hun netten bleef die ze telkens weer voor hem uitspanden. Maar wie? Normaal gezien werd iedereen grondig gescreend vooraleer ze een job bij de Veiligheidsdienst kregen. Aan de ene kant kon het gewoon niet en aan de andere kant was het de enige mogelijke uitleg. Het was iets waar hij al een aantal dagen zijn kop op brak.
            Als het zo verder ging, zou hij zijn adjuncten de opdracht geven om in het verleden te duiken van iedereen van de Veiligheidsdienst die met de zaak te maken had. Een interne controle van zijn eigen mensen, het stootte hem tegen de borst, maar zo kon het niet verder. Aan de andere kant was er ook het probleem van tijd. De tijd om dit allemaal te organiseren tussen de gewone werkuren in. Iedereen had zijn handen al vol en klopte overuren. Terwijl hij nog over deze zaken aan het denken was, kwam er een melding binnen van een brandende autobot in de Deeplands. De plaats waar alles begonnen was. De eerste slachtoffers die daar werden gevonden, de gruwelijkheid van de moorden op zich was weerzinwekkend. De dader was als een spook en hij gleed als lucht door hun handen heen om steeds weer nieuwe slachtoffers te maken. Een moordenaar die hen teksten van het Requiem van Mozart toezond. Teksten die uit hun context waren gegrepen. Hij had ondertussen dat Requiem beluisterd en de volledig vertaalde tekst doorgenomen. Niets, helemaal noppes had het opgebracht.
            Wat was er met de mensen die naar het Westen gereisd hadden? De gesprekken met de nabestaanden waren op een sisser afgelopen. Het feit dat ze allemaal als gemeenschappelijk kenmerk hadden dat ze in het Westen waren geweest en  gechipt waren, moest aan de grondslag van het probleem liggen. Het kon niet anders. Norino had op eigen houtje een aantal vragen afgevuurd op de wetenschappelijke afdeling van de Veiligheidsdienst maar had geen bevredigende antwoorden verkregen. Neen, hij had eerder de indruk dat ze hem met een kluitje in het riet stuurden. Wat hem natuurlijk nog meer in die richting deed denken. Was het om de chip te doen of om de mensen bij wie die de chip waren ingeplant? Verdomme, hij had niet eens de mogelijkheden om dit allemaal uit te zoeken. Hij was afhankelijk van hetgeen zijn directeur Taketani hem met mondjesmaat zou laten weten en op dit moment was dit noppes. Met alle goede wil van de wereld geraak je nergens met die hoeveelheid info.
            Norino Vastai zou zelf de dossiers van iedere man die met de zaak te maken had, bestuderen en hun loyaliteit ten opzichte van de zaak inschatten. Het zou zeker geen kwaad kunnen en op dit moment had hij geen andere ideeën meer. Het zouden korte nachten worden.


 copyright Rudi J.P. Lejaeghere



zondag 7 februari 2016

Requiem: Hoofdstuk 40 (1e deel)









40



            Toen het licht weer aanging op het moment dat hij aan het indoezelen was, schrok hij en voelde zich nog meer gedesoriënteerd dan de eerste keer toen dit gebeurde. Het scheelde niet veel of Stephen begon te hyperventileren. Hij schudde zijn hoofd. Gelukkig was zijn hoofdpijn heel wat minder. Hij probeerde zijn adem onder controle te houden en op de juiste manier te ademen. Gauw voelde hij de druk op zijn borst wegtrekken. Maar als die gek iedere keer het licht aan en uit deed…de reden daarvan nam een vorm aan. Men wou hem vermoeien, afmatten. Telkens wanneer hij bijna sliep het licht aan doen was een martelmethode, een uitputtingsslag voor het lichaam van het slachtoffer in kwestie.
            ‘Lafaard! Vuile smerige moordenaar, kom te voorschijn en toon je een man in plaats van je te verschuilen achter muren. Je bent bang van je eigen schaduw. Dood me dan, ik ben niet bang om te sterven, je hebt me al alles afgenomen, waar wacht je op?’ Stephens hoofd was rood van woede. Hij was nu meer dan ooit zijn bijnaam Furious waardig. Het weinige vocht dat hij nog in zijn mond over had, vloog in witte vlokken met zijn woorden mee. Zijn angst werd weggeduwd door een woede die uit hem opborrelde al een bron die onverwacht aangeboord werd.
            Toen ging de deur in de muur open en kwam Michael binnen. Stephens stem stokte toen hij de man zag binnenkomen. Hoe was het mogelijk dat zo iemand al die moorden had gepleegd. Het was inderdaad een Euraziaat en deze keer had hij geen spookachtig doek over zich gedrapeerd zoals bij de moord op Suzy. Hij was ongeveer één meter tachtig groot, wat nogal lang was voor een Euraziaat. Een pezig uiterlijk, waarschijnlijk geen grammetje vet teveel en spieren die er staalhard uit zagen, te zien naar het nauwe vest dat hij droeg en zijn gespierde bovenlichaam accentueerde. Het enige dat Stephen zo frappant vond aan hem waren zijn ogen. Die waren zo fel en op hem gericht dat de angst die hij zopas ontkend had duidelijk voelde in het stijgend ritme van het kloppen van zijn hart. Het waren ogen waarin waanzin blonk. Zijn blik ging daarna werktuiglijk naar de handen van Michael. Hij had een soort van gummistok vast. Hij zou nu nog niet sterven, dacht Stephen. Als Michael integendeel zijn Nihonto meegebracht had, zou het andere koek  geweest zijn. Stephen zette zich krap op wat zou komen.
            ‘Wat heb ik je in hemelsnaam misdaan? Wat heeft mijn zus Suzy je misdaan en de ouders van Yukiko Mitsukai? Waarom heb je hen vermoord? Geef me, als je me dan toch doodt, tenminste de waarheid mee. Geef me die genade en laat me weten waarom ik moet sterven.’
            Michael wandelde door de kamer, ijsberen was eigenlijk een beter woord. Van links naar rechts, van rechts naar links. De stok in zijn handen maakte verschillende ingewikkelde bewegingen. De man was aan het showen. In hemelsnaam, hij was met zijn gevechtstechniek aan het pronken. Stephen had de beweging nauwelijks kunnen volgen, maar hij voelde bijna de pijn tegelijkertijd met het besef dat Michael in een flits had toegeslagen en zijn arm een harde slag had toegediend. De pijn straalde door gans zijn arm tot in de toppen van zijn vingers.
            ‘De Witte Engel heeft mij opgedragen dat jij moet sterven. De Witte Engel is alles voor mij. Ik ben maar haar dienaar, haar wrekende hand. Ik doe wat ze zegt en ze zegt: Stephen March moet sterven!’ Terwijl hij nog sprak, draaide hij zich in een vliegensvlugge beweging naar Stephen toe en gaf hem een reeks slagen links en rechts op zijn lichaam die heel hard aankwamen. Stephen kreunde van de pijn. Zijn wonden van de metro waren nog niet helemaal genezen en hij kreeg terug een pak slag om u tegen te zeggen, je zou voor minder kreunen.
            ‘Stephen March moet sterven zegt de Witte Engel. Maar ze heeft niet gezegd op welke manier. Daar kan ik zelf in kiezen. Je zal een langzame dood sterven en ik zal er uitermate plezier aan beleven.’
            Stephen probeerde het nog eens, nadat hij met moeite de pijn verbeet van de laatste slagen. ‘Maar waarom juist, geeft ze je dat gezegd, waarom ik juist?’      
            ‘Je bent een gevaar. Je bent de zoon van Thomas March en Kathy Chang. Ze zegt dat het allemaal begonnen is met Thomas March, dat kan ik je wel zeggen. Ik zal je een geheim vertellen, ik wist niet of ik het jou zeggen. Maar je hebt gelijk dat een ter dood veroordeelde het recht op de waarheid heeft. Thomas March heeft de Witte Engel bedreigd. Dat had hij niet moeten doen. Hij bedreigde haar geheimen openbaar te maken en daarom moest hij sterven. Zijn dood moest op een ongeluk gelijken, dat was de enige voorwaarde. Jammer, ik had het graag anders gezien, die keer kon ik mijn Nihonto niet gebruiken,’ grijnsde Michael als een gestoorde.
            Als Stephen nu niet vastgebonden was, had hij hem aangevlogen zonder rekening te houden met de consequenties. Die man had zijn vader en stiefmoeder vermoord en kwam er hier zomaar voor uit.‘Wat heeft mijn vader met dit alles te maken, welke geheimen? Wie is de Witte Engel?’
            Als antwoord kreeg hij nog voor hij was uitgesproken een reeks slagen op zijn armen en benen, zodanig hard dat hij het uitschreeuwde van de pijn. Zijn lichaam zou straks een landkaart van blauwe plekken zijn.
            ‘Je vraagt te veel in één keer, Stephen March. Ik heb je tot nu toe de waarheid verteld, zoals ik hem ken. Ik lieg niet. Wees geduldig, misschien vertel ik je nog wat…als je de pijn verder kan verdragen.’
            Hij maakte even de ketting los aan de haak van de muur en Stephen viel op zijn knieën.
            ‘Drink!’ Een kort bevel, maar een waar Stephen, niettegenstaande de pijn die uit al zijn ledematen straalde, graag op in ging. Het bakje die voor hem stond kwam nu in zijn bereik en met enkele slokken had hij het volledig uitgedronken. Michael maakte de ketting terug vast en zette het bakje terug voor hem en vulde het terug met water uit een plasticflesje dat hij bij zich had en verliet daarop de kamer.
            Na een vijftal minuten ging het licht terug uit. Het zoemen van de generator stopte; Toen was Stephen alleen in het donker met zijn gedachten en werd met zijn pijn achtergelaten. Hoe zou hij dit moeten aanpakken? Die waanzinnige zou hem verder martelen en hem beetje bij beetje vermoorden en hem tegelijkertijd wat stukjes van de waarheid voeren als een de spreekwoordelijke wortel die men voor een ezel hangt. Net zoals hij hem als een wild beest aan een ketting wat water voerde. Stephen vond zichzelf ook een ezel, dat hij niet op tijd gezien had dat het geen gewone taxibot was en dat hij daardoor ontvoerd werd door Michael. Hij voelde zich schuldig dat hun plan in het water viel door zijn onvoorzichtigheid.. Het water zou hem een tijdje langer in leven houden, maar dat was waarschijnlijk juist de bedoeling van Michael. Een tijd waarin hij zijn sadistische lusten zou kunnen botvieren en er nog bevrediging in vond op de koop toe.
            Zou Yu aan hem denken? Misschien had ze hem al proberen op te bellen? Ze hadden beloofd contact te houden, dus vroeg of laat zou ze toch wantrouwig zijn als ze geen antwoord kreeg. Misschien zou ze uit beleefdheid wat wachten om hem te contacteren en in haar gedachten rekening houden met jetlag en het maken van de contacten waarover hij haar gesproken had. Dat zou te laat worden. Michael wou weliswaar hem niet direct doden. Hij kon de gedachte bijna niet verwerken zonder een paniekaanval te krijgen. Hij hoorde zijn tanden klapperen. Was dit van de angst of van de koude? Dat hij bang was, reken maar! Neen, het was ook gevoelig kouder geworden in de ruimte waar Stephen zich bevond. Wat een pervers spelletje speelde die kerel nu weer? Hij probeerde zich Yu voor te stellen in zijn hoofd, enkele en alleen om zijn andere zwarte gedachten te verdringen. Hij zag haar met die eigenwijze manier van kijken en haar zwarte haar, haar Oosterse ogen. Ogen waar hij zoveel positieve dingen in las. Zou hij ooit de kans krijgen om in werkelijkheid nog eens haar lieve hoofd in zijn handen te mogen nemen en haar zachte kleine mond te kussen?



……..

copyright Rudi J.P. Lejaeghere