dinsdag 29 maart 2016

Requiem: Hoofdstuk 43 (1e deel)









43



            ‘Ik vang zijn signaal op,’ riep Gekko. Ik hoorde een bliepje en keek naar het scherm waar Gekko naar wees.
            ‘Hoe bedoel je?’ Mijn hart sprong op, ik voelde het kloppen in mijn keel en durfde het zelf bijna niet verwoorden.’ Is het wie ik denk of …?’ Gekko knikte zo verwoed dat zijn brilletje bijna van zijn neus viel wat hij direct corrigeerde. Hij zoomde in en gaf ons de coördinaten waar wij Stephen konden vinden. ‘Chôme 9- Banchi 23- Gô 27, Sanctuary!’
Wijk 9, huizenblok 23, huisnummer 27, dat was niet zo ver in afstand maar in mijn gedachten was iedere kilometer op dit moment er een te veel.
‘Vlug, naar je autobot, ik zal de bestemming al uploaden in je computer en die van op afstand starten.’ Gekko dacht aan alles en verloor geen seconde.
Ik had vleugels gekregen en in een mum van tijd zat ik aan de console van mijn voertuig die ik op manueel schakelde. Ik wist niet hoe het met Stephen gesteld was. Dat zijn chip een sein doorgaf, betekende nog niet dat hij buiten levensgevaar was. Ik hoorde in mijn oortje, dat ik de laatste tijd steeds voor alle veiligheid bij had dat Gekko, Ji en Eagle Eye had verwittigd. Ji zou ongeveer op het zelfde moment ter plaats moeten arriveren. Eagle Eye was verhinderd en te ver verwijderd om bij te kunnen springen. Ik was blij dat mijn broeder in de Kami Akai er ook bij zou zijn. Mijn zenuwen waren gespannen als pianosnaren en ieder onverwacht geluid of beweging  die ik opving sneed door mijn lichaam als een mes. De angst Stephen kwijt te geraken omdat ik niet alles gaf wat ik kon geven, speelde als een kwelgeest door mijn hoofd. Ik deed halsbrekende stunts in het verkeer. Deze overtredingen zouden mijn bankrekening geen goed doen.
Toen ik bijna ter plaats was zag ik Ji in mijn camera achter mij opduiken uit het verkeer. Blijkbaar stond zijn autobot ook op manueel, want ik zag hem van links naar rechts zwiepen. Het zicht op de risico’s die hij nam deed me beseffen wat ikzelf aan het doen was. We speelden met ons leven! Voor mij vond ik het gerechtvaardigd, alleen al voor Stephen. Ik hoopte alleen dat ik geen ongeluk veroorzaakte. Er waren al genoeg onschuldige slachtoffers gevallen. Mensenlevens kan je niet opwegen tegenover elkaar. We waren ter plaatse : 9 – 23 – 27! We schoven ons naast elkaar en nog voor de aandrijving stilviel van onze voertuigen stonden Ji en ik buiten en keken rondom ons. We waren blind zonder aanwijzingen.
‘Waar, Gekko? Ik zie niets. Kan je ons situeren via ons oortje en zeggen welke richting we uit moeten?’
Aan de ander kant even stilte…Mijn lippen drukten zich in een streep dicht op elkaar, mijn tanden hoorde ik knarsen. Ik wou vloeken en Gekko aansporen om vlugger te antwoorden maar ik wist dat hij alles deed wat mogelijk was. De verlossende woorden kwamen er.
'Achter jullie, naar het noorden een vijfhonderdtal meter en dan de hoek om. Hij is het laatste kwartier niet meer van plaats veranderd.’
De adem stokte me bijna in de keel. Dat kon betekenen dat hij dood was of aan het sterven. We liepen alsof ons leven ervan afhing. Toen we na een sprintje de bewuste steeg insloegen, zagen we een container. Daarachter lag een man, zijn bloederige naakte voeten staken uit en er bewogen niet. Neen, dan kon niet! Ik bevroor terwijl Ji mij voorbijliep naar de container en erachter verdween.
Het waren tergend lange seconden die minuten leken en ik kon geen voet voor de andere zetten. Mijn adem hield ik plots in. In mijn geest speelden zich met een lichtsnelheid dodelijke scenario’s af. De keel overgesneden, gewurgd, door het hart gestoken…ik zag Stephen in alle die beelden .Het was mijn eigen leven die ik weer verloor.
Ji maakte een einde aan dit alles. ‘Hij leeft, vlug Yu, kom mij helpen, hij moet dringend naar een ziekenhuis. Of beter niet, laten we nog eens beroep doen op mijn vriend en arts Saburo Shimazu.’
            Ik rende nu, bevrijd uit mijn verstarring recht naar waar Stephen lag. Mijn tranen sprongen mij in mijn ogen toen ik zag hoe hij eruitzag. Hij was verschillende kilo’s vermagerd, zijn lippen zaten vol korsten en zijn lichaam was er een landkaart bestaande uit blauwe plekken. Zijn handen geboeid en een ketting die naast hem lag. Gelukkig was Ji bij mij en konden we hem in een mum van tijd in de autobot krijgen en naar dokter Shimazu rijden.
            Stephen kwam bij en terwijl Ji in volle vaart naar het adres van de arts reed, liet ik Stephen slokje per slokje uit een flesje water drinken. ‘Yu, …,’ hij wilde wat zeggen maar ik probeerde hem te kalmeren.
            ‘Ssst, drink nu wat, probeer wat op krachten te komen, we voeren je naar een bevriende arts.’ Ik zag Stephen kijken naar iets dat aan het dashboard lag en toen begreep ik zonder woorden wat hij wou. Er lag een chocoladereep die ik vlug nam en hem ook stukje per stukje gaf. Ik veronderstelde dat Michael hem had gemarteld. Gezien zijn lichamelijke conditie moest hij het hard verduurd hebben. Maar door de kilo’s die hij vermagerd was, kon ik ook besluiten dat hij niet al veel te eten had gekregen. Nou ja, als je iemand wou vermoorden waarom zou je hem nog voedden. Het was alsof hij in een driesterrenrestaurant aan het eten was. Hij zoog op de stukjes chocolade alsof zijn leven ervan afhing. Hij zag mijn tranen die ik niet kon inhouden.
Met zijn geschaafde hand wreef hij die weg en fluisterde, ‘Niet wenen, Yu, we leven, dat is het belangrijkste.’ Hij moest weer even op adem komen, zelf spreken ging hem moeilijk af.
Ji belde zijn vriend op. Blijkbaar kreeg hij wel een reeks pijnlijke vragen die hij moest beantwoorden. Tweemaal op een rij een dubieus gekwetste man binnenbrengen was bijna scheepsrecht. Uiteindelijk eindigde het telefoongesprek. ‘Oké, oef…dat was niet eenvoudig! Saburo klonk nogal wantrouwig, ik heb hem wel het een en ander over de zaak moeten vertellen, anders wou hij ons niet helpen. Ik kan hem wel begrijpen.' Ji tastte in zijn vestzak en vroeg of ik even plaats wou maken. Hij stelde de autobot op automatische piloot en begon ondertussen aan de boeien van Stephen te morrelen en na een minuut of twee vielen die van zijn handen. ‘Het zou misschien een verkeerde indruk geven als we bij mijn vriend zo toekwamen, ik ben dan misschien wel geen Houdini, maar een handboeien hebben geen geheimen voor mij’ grinnikte hij.
Uiteindelijk viel alles mee. Dokter Shimazu was eerder positief over de conditie waarin Stephen verkeerde. Hij was vermagerd dat was een feit, maar gezien hij voordien wat overgewicht had, zou hem dat na zijn herstel enkel maar ten goede komen. Stephen kon er zelf om lachen. Hij had geen breuken en zijn blauwe plekken zouden genezen. Kneuzingen op verschillende delen van zijn lichaam als gevolg van de slagen zouden zijn tijd nodig hebben om te genezen. Hij schreef hem ontstekingsremmers voor en een zalfje, gaf hem de nodige spuitjes.
Wij moesten terwijl hij Stephen behandelde als tegenprestatie het ganse verhaal uit de doeken doen terwijl onze patiënt een tijd aan een infuus lag. Het zou hem sterken en op die manier zou hij niet naar het ziekenhuis moeten. Mits hij zich rustig hield,  kon hij daarna met ons mee. We vonden dit het minste van alle kwalen en vertelden honderduit over onze ervaringen. Saburo Shimazu’s ogen sperden zich open toen hij ons wedervaren hoorde. Voor hem klonk het dan misschien wel allemaal avontuurlijk maar voor Stephen was het bijna een dodelijke ervaring geweest.
Ik hoorde Gekko in mijn oor iets zeggen. Omdat ik zo naar Ji’s uitleg had zitten luisteren, moest ik hem vragen zijn woorden nog eens  te herhalen. ‘Wat?’ riep ik uit. Iedereen keek naar mij en vroeg zich af wat er nu weer gebeurd was. ‘Gekko heeft juist een bericht gehackt van de Veiligheidsdienst. ‘Collega’s van Inspecteur Norino Vastai hebben hem deze morgen dood teruggevonden bij de ingang van zijn huis. Hij is om het leven gebracht met een Nihonto. Jullie weten wat dit wil zeggen. Hij is een van de slachtoffers geworden in zijn eigen onderzoek. De arme man!’
Stephen was ook overdonderd door het nieuws. Hij had de man persoonlijk ontmoet en niettegenstaande hij geen vriend van de hoofdinspecteur was, voelde hij toch verdriet om zijn dood. De man was bijna op gerechtigde pensioenleeftijd en werd dan nog  gedood. Misschien was hij te dicht bij een oplossing gekomen, zat hij de moordenaar op de hielen. Als stond hij op de payroll van de Veiligheidsdienst, deze man stond aan de goede kant. Een mensenleven dat verspild wordt, vernietigd wordt door iemand waarvoor het leven generlei waarde geeft was altijd betreurenswaardig. Iedereen met het hart op de juiste plaats zou op zo’n manier reageren.
            Toen Stephen gedurende zijn infuus wat op adem was gekomen, gaf hij zijn relaas over de feiten. Ik las de schrik nog ik zijn ogen terwijl hij vertelde. Hij begon met zijn ontvoering op het moment dat hij naar de luchthaven wou vertrekken. Op een of andere manier had Michael hen geschaduwd en had de gelegenheid te baat genomen om Stephen te ontvoeren terwijl hij zich voordeed als bestuurder van een taxibot. Het verwonderde ons allen dat hij zo gefixeerd was op Stephen zelf. Stephen zei dat Michael hem had verteld dat de initiële reden waarom hij Stephen ten allen prijzen wilde vermoorden bij zijn vader  lag. We waren natuurlijk allemaal verrast. Hoe langer deze zaak aansleep, hoe meer we links vonden naar het verleden en naar de Oude Wereld. Stephen zelf was teleurgesteld dat terwijl zijn leven aan een zijden draadje hing, hij toch niet de juiste toedracht tot de reden van de moord op zijn vader en stiefmoeder te weten was gekomen.
            Hij vermoedde dat zijn vader in het verleden op het spoor was gekomen van gesjoemel. Deze onregelmatigheden moesten te maken hebben met de chip die in de Oude Wereld werd gebruikt en ook ergens een connectie hebben met de mensen die vermoord werden in de Nieuwe Wereld door Michael. Al bij al mocht hij niet klagen, dacht hij bij zichzelf. Hij had zichzelf op een bepaald moment ten dode opgeschreven, had het opgegeven. Dat hij afscheid had genomen, zou hij echter nooit aan Yu vertellen. Het belangrijkste was dat hij nu hier was, levend en wel. Hij kreeg een nieuwe kans en die hij zou met twee handen aanvaarden.



……..


copyright Rudi J.P. Lejaeghere


zaterdag 26 maart 2016

Chateau Rouge: Chapter 3




















3. A family dispute

            Katarina noticed that her friend, Jean-Pierre, was very startled by the letter she had given to him. Nonetheless, she had a lot of affairs to arrange, her first concern was to help him wherever she could.
            ‘If I can do something, honey, you know you can tell me anything.’ For a moment she put her hand around his neck, pulled him somewhat nearer and kissed him softly on the lips. If her friend was unhappy, she felt the same way. It was a strange feeling, but it just was that way.
            ‘I guess I’m the only one to blame for us breaking up,’ he started to say while he shrugged in a desperate gesture. ‘Eventually, I’ve only reacted that way because I love my sister and not wanting her being emotionally hurt.’
            Katarina didn’t understand what he was trying to tell, but she saw he had to get it off his chest. She would hurry or press him to unravel his family matters to her, but if he did so, she would be a good listener. She would even help him if she saw the opportunity.
            ‘You know, my sister is naturally adventurous set. If I tell you that she has hiked, on her own, through a great part of North-America without much preparation, you can already picture her character, I guess.’ Jean-Pierre rubbed his forehead as if he wanted to sweep away a few dark shadows.
            ‘Besides, after that journey everything has started. She had made acquaintances with a guy from Salt Lake City, Utah. She seemed head over heels in love with him. Gerry Oldman was his name by the way. At first he looked like a bright bloke, but something wasn’t right, it was difficult to pinpoint what it was but at that moment something made all my alarms go off.’
            Katarina was sitting on his side on a windowsill looking out on the castle's access route.  ‘Sometimes a person has to follow that primeval instinct, Jean-Pierre. I suspect you were right not to trust him, weren’t you?’
            ‘Yes, indeed. I’ve got an old college friend who has emigrated to Denver, Colorado. We still have contact by email and now through Facebook. I asked him to investigate this Gerry. In fact, my friend works for the FBI, it’s true only in administration, but he has his contacts. I was just horrified when he told me his findings.’
            ‘Oh, that doesn’t sound so good,’ Katarina answered when she saw a dark glance shoving over her friend’s eyes. There was a little silence, but she wouldn’t push him to go on. It was his sister, his story.
            ‘In any case he was very rich,’ Jean-Pierre continued, ‘after all, about that he hadn’t lied. It was only the manner he had used to become so prosperous that wasn’t so popular with me. Not that I could do much about it if the FBI couldn’t gather proof against him, who am I to do otherwise.’
            Jean-Pierre swallowed for a moment and unaware of it, he started to fiddle with the cuticle of one of his fingers. The memories were so strong he had great difficulties to get out of his words.
            ‘Gerry Oldman was a blackmailer. Racketeering, they called it back in America. You know what this means?’ He looked at Katarina furrowing her brow.
            ‘Yes, I’ve once seen something about it on TV. It’s blackmailing people in exchange for protection. Is that right?’
            Jean-Pierre nodded. ‘He owned this “organization” of accomplices who visited certain business people promising them protection against mobbing and any other banditry, if they paid, of course. Most of them whom they talked to the first time refuse, speaks for itself. However, it costed them dearly. The shop of some of them being torn apart as an example, the owner even hurt sometimes.  It goes without saying afterward the majority with fear in their heart paid.
            Katarina felt where this story took her, but she waited patiently until her friend spoke again.
            ‘I attempted to convince my sister to break with that man and said he was a gangster. She wouldn’t believe it, so I showed her the information I received from my friend. She asked if I could make that hard and I couldn’t. She blamed me that I didn’t want her being happy, so one thing led to another. Finally, after the last screaming discussion, we’ve parted shouting and crying at each other. She left for Salt Lake City and I never seen or heard her anymore.’
              ‘I understand, Jean-Pierre. It certainly had to be hard for you at that moment. In any case, you can't be held responsible.  You've tried everything humanly possible and you've done it out of affection for your sister, baby. But look at it from another angle.
            Jean-Pierre looked surprised at her. ‘What do you mean by that, Kat? From which angle?’
‘That man died. Now she wants to see you again. Maybe destiny has given you two another chance. Don’t you think you have to grab it with both hands? The past remains the past. There's nothing you can do about it.
But today and tomorrow is still pristine and virginal white, just like a fresh sheet of paper. What you will write upon that is up to you two.’ A smile slipped over Jean-Pierre’s face.
               ‘What now, have I said something wrong, honey?' Katarina asked him while putting her hand on his.
            ‘I knew you were smarter than me, Kat. In a few sentences, you can make my worries melt away. You’re right, I’ll take this chance with both hands. Tomorrow, I'll have my sister with back and because of that that I'm so happy.

© Rudi J.P. Lejaeghere

18/10/2015


Chateau Rouge: Deel 3





3. Een familieruzie

            Katarina merkte dat haar vriend, Jean-Pierre, erg geschrokken was door de brief die ze hem had overhandigd. Niettegenstaande ze zoveel zaken te regelen had, was haar eerste bekommernis hem te helpen waar ze maar kon.
            ‘Als ik iets kan doen, schatje, je weet dat je alles kwijt kan aan mij.’ Ze legde haar hand even rond zijn nek, terwijl ze hem wat dichter trok en even zacht op de lippen kuste. Als haar vriend ongelukkig was, dan voelde zijn ook mee. Het was een vreemd gevoel, maar zo was het.
            ‘Eigenlijk lig ikzelf aan de basis van onze breuk,’ begon hij te vertellen, terwijl hij even in een vertwijfeld gebaar zijn schouders optrok. ‘Uiteindelijk heb ik enkel maar gereageerd omdat ik mijn zuster graag zag en dat ik niet wilde dat ze emotioneel gekwetst zou raken.’
            Katarina begreep niet echt wat hij wilde zeggen, maar zag toch dat hij zijn verhaal kwijt wou aan haar. Ze zou hem niet haasten of dwingen om zijn familie aangelegenheden voor haar uit de doeken te doen, maar als hij het deed, zou ze een goede luisteraar zijn. Ze zou hem zelfs helpen als ze er de mogelijkheid toe zag.
            ‘Mijn zuster is van nature nogal avontuurlijk aangelegd, moet je weten. Als ik je zeg dat ze als achttienjarige alleen door een groot deel van Noord-Amerika op trektocht is gegaan en zonder veel voorbereiding, kan je misschien al een beeld maken van haar karakter.’ Jean-Pierre wreef even over zijn voorhoofd alsof hij een paar duistere schaduwen wilde wegvegen.
            ‘Trouwens na die reis is het allemaal begonnen. Ze had een kerel leren kennen in Salt Lake City, Utah. Ze bleek halsoverkop verliefd te zijn op hem. Gerry Oldman was zijn naam trouwens. Op het eerste zicht een vlotte kerel, maar er was iets aan hem, ik kon het moeilijk benoemen op dat moment, maar iets deed alle alarmbellen bij me aanslaan.’
            Katarina had zich naast hem neergezet op de vensterbank van een venster dat uitzag op de oprijlaan van het kasteel. ‘Soms moet de mens dat oerinstinct volgen, Jean-Pierre. Ik vermoed dat je gelijk had om hem niet te vertrouwen, is het niet?’
            ‘Ja, inderdaad. Ik heb een oude studievriend die uitgeweken is naar Denver, Colorado. Wij zijn nog altijd in contact via mail en nu ook via Facebook. Ik vroeg hem om inlichtingen in te winnen over die Gerry. Mijn vriend werkt namelijk bij de FBI, weliswaar enkel in de administratie, maar hij heeft zijn contacten. Ik sloeg gewoon achterover toen hij mij met zijn bevindingen opbelde.’
            ‘Oei, dat klinkt niet echt goed,’ antwoordde Katarina, toen ze zag dat er een duistere glans over de ogen van haar vriend gleed. Er viel een kleine stilte, maar ze wou hem niet dwingen om verder te vertellen. Het was zijn zuster, zijn verhaal.
            ‘Hij was in elk geval heel erg rijk,’ ging Jean-Pierre verder, ‘daarover had hij toch niet gelogen. Het was enkel de manier waarop hij zo welstellend was geworden die bij mij niet echt in de smaak viel. Niet dat ik er veel kon aan doen, als de FBI geen bewijzen tegen hem kon verzamelen, wie ben ik dan om daar wel in te slagen.’
            Jean-Pierre slikte even en begon onbewust aan de nagelriem van een van zijn vingers te frunniken. De herinneringen waren zo sterk, dat hij het heel moeilijk had om uit zijn woorden te raken.
            ‘Gerry Oldman was een afperser. Racketeering heten ze dat in Amerika. Weet je wat dit betekent?’ Hij keek naar Katarina, die haar wenkbrauwen fronste.
            ‘Ja, ik heb daar nog het een en ander van op de TV gezien. Het is het afpersen van mensen in ruil voor bescherming. Klopt het?’
            Jean-Pierre knikte. ‘Hij bezat die “organisatie” van handlangers die bij zekere zakenmensen langsgingen en hen bescherming beloofden tegen overvallen en ander banditisme tegen betaling natuurlijk. De meesten onder hen die de eerste maal bezocht werden weigerden…dat spreekt voor zichzelf. Maar dat kwam hen duur te staan. Enkele onder hen werden als voorbeeld genomen en hun zaak werd kort en klein geslagen en de eigenaars zelf raakten som ernstig gewond. Het was normaal dat daarop de meerderheid met angst in het hart betaalden.’
            Katarina voelde waar dit verhaal heen ging, maar ze wachtte geduldig tot haar vriend verder sprak.
            ‘Ik wou mijn zuster overtuigen om te breken met die man, zei dat hij een gangster was. Zij geloofde me niet en ik haalde de inlichtingen boven van mijn vriend. Ze vroeg me of ik keiharde bewijzen had en… die had ik niet. Ze verweet me dat ik haar geluk niet gunde en  van het een kwam het ander. Uiteindelijk na de laatste hoogoplopende ruzie zijn we al schreeuwend en roepend uit elkaar gegaan. Zij is vertrokken naar Salt Lake City en ik heb ze nooit meer gezien of gehoord.’
            ‘Ik begrijp het, Jean-Pierre. Het moet hard geweest zijn voor je op dat moment. Je moet je in elk geval niets verwijten. Je hebt gedaan wat je kon en je hebt het uit genegenheid voor je zuster gedaan, schatje. Maar je moet het eens van de ander kant bekijken.’
            Jean-Pierre keek vreemd op. ‘Hoe bedoel je, Kat? Welke kant?’
            ‘Die man is gestorven. Nu wil ze je weer zien. Misschien geeft het lot jullie beide een tweede kans. Denk je niet, dat je deze met beide handen moet nemen. Het verleden is het verleden, gisteren kunnen we niet veranderen. Maar vandaag of morgen is nog steeds zuiver en  maagdelijk wit als een vers blad papier. Wat je daarop zal schrijven ligt aan jullie twee.’
            Er gleed een glimlach over het Jean-Pierre’s gezicht.
            ‘Wat is er nu, heb ik iets verkeerds gezegd, schat?’ vroeg Katarina terwijl ze haar hand op de zijne legde.
            ‘Ik wist wel dat jij de slimste van ons twee was, Kat. In een paar zinnen kan je mij mijn zorgen doe wegsmelten. Je hebt gelijk, ik neem deze kans met beide handen. Morgen zal mijn zuster weer bij me zijn en daar ben ik verschrikkelijk blij om.’

© Rudi J.P. Lejaeghere

18/10/2015



donderdag 24 maart 2016

De Vlag van Democratie






We zullen tranen vol zout wenen en rouwen,
Zeker vandaag en nog vele dagen,

De mist van geweld nog in de lucht hangend,
Het bloed van dood en barbaarse kwetsuren
Gekerfd als een zwart en witte ets,
Voor altijd in onze geheugens

Maar morgen zullen we weer opstaan,

Want we zijn nu eenmaal mensen,
Een volk met gevoelens van mededogen,
Omdat wij ons erom bekommeren
En onze harten vol van liefde zijn,

Gesterkt door onze naastenliefde,
We staan er terug door onze menselijkheid,
We zullen overwinnen,

Samen met onze broeders en zusters
In de hele wereld,
We zijn ontelbaar in onze strijd
Om de vlag van de democratie te laten wapperen,

Zelfs wanneer het vandaag stormt.

© Rudi J.P. Lejaeghere

24/03/2016


The Flag of Democracy






We’ll cry tears of salt and we will mourn
Today for sure and for the days to come,

The fog of violence still hanging in the air,
The blood of death and barbarous injuries
Carved as a black and white etching
in our minds forever

But tomorrow we will rise again,

Because we are humans,
People with feelings of compassion,
Because we care
and our hearts are full of love,

Strengthened by our charity,
Standing tall because of our humanity,
We will prevail,

Together with our brothers and sisters
In the whole world,
We are legion in our battle
To keep the flag of democracy blowing,

Even when it storms today.

© Rudi J.P. Lejaeghere

24/03/2016


maandag 21 maart 2016

Requiem: Hoofdstuk 42 (2e deel)













……..



            Er komt een ogenblik in een leven dat men het gewoon opgeeft. Stephen March was al verschillende malen bezocht geweest door Michael. Iedere keer had de man een nieuwe manier gevonden om hem te folteren. Stephen was een man uit één stuk, een beer van een vent. Maar op een bepaald moment, na alle strijd die je levert en niettegenstaande de hoop die je koestert in het diepst van je gedachten op een miraculeuze redding, geef je het op. Niettegenstaande Michael hem steeds iets te drinken gaf, had hij nog geen voedsel gekregen. Hij voelde zich zo verzwakt dat hij nauwelijks op zijn benen kon staan.
            Hij hing verslagen in zijn boeien. Het hoofd gebogen, de kin rustend op de borst. Overgegeven aan de genade van zijn folteraar. Zijn adem stokte verschillend malen en hernam zich weer in een hijgend ritme. Zijn hartslag was onregelmatig. Hij had hartoverslagen vanwege de stroomstoten die Michael hem had bij verschillende gelegenheden had gegeven. Hij was ten dode opgeschreven dacht hij en wat het ergste was…hij had alle hoop laten varen. De volgende maal zou hij smeken met al wat nog in zijn lijf aanwezig was om het einde. De pijn die door zijn lichaam trok, zijn gedachten die hem geen alternatief voorschotelden, lag aan de oorsprong van zijn huidige mentale toestand.
Als een mens kon je veel weerstand bieden, maar op een bepaald moment had iedereen zijn grens bereikt. Stephen had het lang uitgehouden, niet lang genoeg volgens zijn eigen normen had hij op sommige momenten gedacht, maar er waren mensen die bepaalde martelingen niet zouden overleefd hebben die hij wel had doorstaan. Je kon niet zeggen met succes. Want datgene wat hij nu meemaakte, aardde uit in een onvermijdelijke nederlaag en zou uiteindelijk resulteren in zijn dood, net zoals Michael hem had gezegd.
Hij had afscheid genomen van zijn leven zoals hij het kende, ook van zijn ontluikende liefde voor Yukiko. Het deed hem pijn maar niemand wist waar hij was. Anders zou hij hier niet geradbraakt hangen. Hoelang al? Stephen had nieuwe vrienden gemaakt in de Nieuwe Wereld. Speciale mensen waar hij ook een bijzondere genegenheid voor had ontwikkeld. Ook van deze mensen had hij reeds in zijn gedachten afscheid genomen. Eagle Eye, de Afrikaanse leeuw met zijn gouden hart. Ji, de partner van Jérome Shumbwa, vriend van Yukiko, Rode Cirkel in de Kami Akai net zoals Yu, waar hij verliefd op was geworden.  Eén voor één had hij ze in gedachten bedankt voor alles. Jammer voor hen dat het voor niets zou zijn geweest.
Voor de zoveelste keer sprong het licht aan en kwam de moordenaar binnen. Stephen hief met inspanning zijn hoofd op en zag dat Michael deze keer zijn zwaard, de Nihonto, bij zich had. Hij had een laken als een cape met een kap over zich gedrapeerd waarbij uit twee gaten waar de ogen zich bevonden een dodelijke blik op hem werd geworpen. Stephen slaakte een diepe zucht. ‘Eindelijk,’ fluisterde hij, hoorbaar voor zijn folteraar.
Michael keek hem even verward aan. De reactie van zijn slachtoffer stond hem niet aan. Hij was gewoon aan het karakteristieke smeken, het aanbieden van alles wat het slachtoffer maar kon bedenken om zijn leven te sparen. Dit waren niet de woorden van iemand die gered wou worden.
‘Alsjeblieft, maak er een einde aan. Het geeft niet. Ik ben er klaar voor!’. Langs de wangen van Stephen liepen tranen. Tranen van verdriet om al de mensen die hem voor waren gegaan, hij had geen verschil kunnen maken. Dat vond hij heel jammer.
Michael liet de Nihonto die hij bij zijn binnenkomst klaar had gehouden om tot actie over te gaan wat zakken en trok het laken over zijn hoofd en smeet het met een woedende beweging achter zich weg. Neen, dit ging verkeerd. Stephen March moest wenen en smeken om genade. Hij moest om vergiffenis vragen voor zijn zonden. De Witte Engel had Stephen aan hem overgeleverd als het nageslacht van de zondaar die haar lang geleden in de wielen had gereden. Michael twijfelde! Hij was van plan geweest om er nu een einde aan te maken. Hij zou Stephen beetje bij beetje gevild hebben. Zijn vingers een voor een verwijderd hebben met het korte mes dat hij in zijn broeksband droeg. Dan zou hij hem met zijn Nihonto aangeraakt hebben. Korte aaien met zijn vlijmscherp wapen die hem zouden pijnigen maar niet direct doden. Maar nog voor het moment dat hij zijn plan tot uitvoeren kon brengen smeekte die man om de dood. Michael begreep die reactie niet.
Nog minder begreep hij dat de deur met een geweldige kracht uit zijn voegen vloog en geplooid in een hoek van de kamer weg werd geslingerd. Een Japanner stond in de deuropening naar hem te kijken. In zijn rechterhand lag de Ishime Kiku Tamahagane  met het bordeauxkleurig handvat. Het was het reservewapen van Michael. Hij had zelf nog een derde zwaard, een Tamahagane Unokubi  Zukuri waarmee hij nooit vocht omdat het te waardevol was. Hij verkoos zijn Ishime Mokko Tamahagane met het blauwe handvat. Dit zwaard was ietsje zwaarder dan de Kiku. Zo’n honderd vijfentwintig gram maar dat maakte voor hem soms juist het verschil. Een betere balans en bij de juiste handeling een grotere slagkracht. Deze feiten schoten door zijn gedachten omdat hij wist, neen hij het zag in de ogen van de man in de deuropening, dat die voor ‘hem’ kwam.
‘Wie ben jij en wat kom je hier doen. Je beledigt me in mijn eigen huis om mij met mijn eigen zwaard te bedreigen?’ verwoordde Michael het heel bondig terwijl hij zich in een aanvallende houding positioneerde en het snijvlak van zijn Nihonto naar de man draaide. Een vijandelijk signaal dat hij als eerste waarschuwing aan de vreemdeling gaf.
            De man deed nauwelijks geïntimideerd  een stap voorwaarts en Michael zag dat ook zijn zwaardsnede in de richting van Michael gedraaid was. ‘Ik ben je opvolger! Je hebt je tijd gehad en je doel gediend. Waarom hield je je niet aan je instructies? Je bent een doorgedraaide psychopaat voor zover ik heb gehoord. De Witte Engel kan je niet meer vertrouwen. Ik geef je het voordeel van de eerste slag. Dat is de enige genade die “ik” je zal geven. Wees klaar om te sterven!’
            Stephen had dit allemaal met open mond gadegeslagen. Was dit voor hem positief of zou hij van de regen in de drup komen? Gelukkig bevond hij zich met zijn rug tegen een muur van de kamer en namen de protagonisten een positie in links en rechts van hem. Hij was gefascineerd door het schitteren van de bladsnede van hun wapens waarin het licht weerkaatst werd. Hij was doodvermoeid , klaar om de dood in de ogen te kijken en plots stond de wereld op zijn kop en keek zijn belager naar een tegenstander die op het eerste zich niet met zich zou laten spotten.
            Michael, rood van opwinding en woede viel de vreemdeling aan. Die pareerde zijn slag met zo’n gemak alsof hij die van uren ver had zien aankomen. Het deed Stephen goed om Michaels verbazing te bemerken. Toen begon het gevecht pas echt. De geluiden van botsende klingen, de zwierende bijna dansende bewegingen van de beide krijgers. De vreemdeling had Michael enigszins onderschat. Woede en waanzin was onberekenbaar en kon voor verrassingen zorgen. Michael was een wervelwind, maar de vreemdeling deed niet onder voor hem. Verschillende slagen sloegen zo dicht bij Stephen in, dat hij met al de kracht die nog in zijn lichaam zat, zich zo dicht mogelijk tegen de muur drukte. Michael draaide iets te ver door in een slag en raakte de ketting waarmee Stephen vastgemaakt was.
            De vreemdeling had Michael een kleine wonde toegebracht aan zijn rechterschouder. Het bloed liep over Michaels borst, maar blijkbaar was het niet levensbedreigend want Michaels aanvallen werden driester en volgden elkaar in frequentie vlugger op. De vreemdeling was weliswaar niet in de verdediging gedrongen, maar hield zich op dit moment enkel bezig met het pareren van de Nihonto van Michael. Als hij een goede kans zag probeerde hij een korte aanvalsstoot. Eenmaal was hij er al in geslaagd om de verdediging van Michael te doorbreken met de kleine wonde als resultaat.
            Stephen had gezien dat de ketting door de slag vervormd was en als hij er bij zou kunnen zou hij de schakels uit elkaar kunnen halen. Maar die twee vechters draaiden zo vlug rond elkaar dat hij het zeker met de dood zou bekopen als hij zich naar het midden van de ruimte zou wagen. Plots gleed Michael uit, maar kon in een laatste moment zijn wapen voor hem houden om de doodslag te pareren die de vreemdeling hem wou toebrengen. De man had zijn knie in de buik van Michael geduwd en de twee zwaarden duwden in een krachtproef tegen elkaar wat een sinister metaalachtig geluid maakte.
            Nu, dacht Stephen! Hij nam de beschadigde ketting, maar met zijn bevende handen en zijn verzwakte lichaam duurde het veel te lang. Toch kreeg hij de schakel los en hinkte weer naar de muur waar hij de ketting door de lus in het plafond naar hem toe trok. Michael had de man weer van zich af kunnen duwen en het gevecht was weer in alle hevigheid losgebarsten. De vonken sprongen er soms af, zo krachtig raakten de zwaarden elkaar. De twee vechters waren volgens Stephen aan elkaar gewaagd, maar dat maakte zijn rekening niet. Hij probeerde steeds als ze het verst van hem verwijderd waren om de koorden rond zijn voeten los te maken. Zijn vingers hadden geen kracht en de knopen waren vakkundig gemaakt. Toch beetje per beetje losten ze. Op een bepaald moment had hij ze open. Net toen een van de Nihonto’s op een paar centimeter voor zijn gezicht zwaaide. Stephens hart klopte als een razende in zijn keel. Hij was niet zover gekomen om nu nog als bij toeval gewond te geraken of zelfs gedood te worden. Stephen had weer dat sprankje hoop. Hij had het nooit durven dromen. Op de drempel van de dood had hij gestaan en had in de afgrond gekeken en het aanvaard. Nu was het mogelijks anders met een beetje geluk. Hij probeerde een paar passen links en rechts terwijl hij steunde langs de muur. Zijn benen waren heel zwak, maar het moest lukken. Meer en meer begon de Japanner zijn strategie te veranderen. Als het ware had hij Michaels bewegingen bestudeerd en nu ging hij meer in de aanval, dwong bij momenten zijn tegenstreven in de hoek. Het was op zo’n moment dat Stephen met de ketting in zijn geboeide handen maar zijn voeten los naar de deur wou lopen. Het werd meer wankelen en bijna vallen, maar toch was hij vlugger buiten dan hij gedacht had. Hij keek niet om maar vluchtte verder. Hij wist dat het zijn enige kans was!
            Zowel Michael als de Japanner had het gezien. Michael schreeuwde van onmacht en frustratie. ‘Neen, Stephen March! Jij moet sterven! Dit mag niet, dit kan niet.’ Met bovenmenselijke kracht begon hij een reeks aanvallen. Als een wervelende wind draaide hij rond de Japanner. In zijn woede vergat hij alle voorzichtigheid en kreeg een paar slagen toegediend, maar zijn woede en kracht was zo groot dat er toen gebeurde wat de vreemdeling nooit had verwacht op het moment dat hij de deur uit zijn voegen had doen springen. De Ishime Mokko Tamahagane sneed als boter door de slag-arm van de Japanner, die verrast even stil stond en dan door zijn knieën zakte, zijn arm met het zwaard op de grond zag liggen. Hij keek omhoog naar zijn beul die hem nauwelijks de tijd liet. Michael sloeg in alle razernij nog één keer toe!


copyright Rudi J.P. Lejaeghere


zaterdag 19 maart 2016

Skeletons skinned





















Whispers whistling in the blowing wind,
I hear them, I don’t fear them calling for me,
In the disappearing light, I’m just able to see
The fallen flesh of the skeletons skinned.

Lingering in the night is the fright
Between the hour of the owl and the rat
There’s only a cry, a swift fly of a bat
Now is the time to run, now it is time to bite.

Shades of grey and shadows will cover me,
The blood is blooming like a mesmerizing flower,
And lower in my guts I feel the need, the power
Of the dark and the dusk around the ashen tree

Lurking in the twilight of the corners, there is he,
He, who is the mellow marrow and the bones,
Risen from the depth, from beyond the gravestones,
He’s the scary scarecrow, the rickety creep
Of the skeleton skinned, that is now called

‘Me’.

© Rudi J.P. Lejaeghere

18/03/2016






Het geklik van skeletten





















Fluisteringen flirten met de waaiende wind,
Ik hoor ze wel maar vrees ze niet meer,
In het wijkende licht kan ik nu zien hoe zeer
het verval van het vlees van de skeletten begint.

Langzaam in de nakende nacht kruipt de angst,
Tijdens het uur van de uil en de knagende rat,
Het fladderen van de vleermuis, een sluipende kat,
Tijd om te vluchten, wie is nu om ter bangst.

Tinten grijs en schaduwen verbergen mijn schuld,
Het bloed dat bloeit als een betoverende bloem,
Diep in mijn darmen voel ik de nood, de doem
Van het zwart en het duister dat de dood verhult.

Schuilend in de schemerende hoeken zal hij je vinden,
Hij die zowel merg als de ontvleesde beenderen is,
Opgerezen uit het graf, uit de as van de begrafenis
De vogelschrik die het requiem zingt in de dodenmis

Hoor jij het ook, het geklik van mijn naderend skelet?

© Rudi J.P. Lejaeghere

19/03/2016




maandag 14 maart 2016

Chateau Rouge: Chapter 2




















2. Preparations

            There was an enjoyable hustle at the Chateau Rouge. They had closed the castle for a whole week to possible clients. The big party that Beatrice, Katarina’s deceased mother, had planned, would eventually still go through.
            It involved quite a lot of things. A specialized firm took care of an extra cleanup of all the accessible parts of the Chateau. Those rooms that were a bit weathered got a fresh coat of paint. The furniture and accessories, giving the castle his particular charm, had been polished until you could reflect yourself in it. The places, in which the party would go through, were being additionally adorned with veils and new curtains, all in red, the favorite color of the new Baroness.
            Katarina had never realized that this would be a full-time job for her. She wanted to notify personally everybody or contact them through the telephone. Just like her late mother, she loved having a close contact with her clients. Furthermore, she placed dozens of orders with her suppliers for the widest choice of titbits and a sea of champagne. She knew this beverage could perform miracles to the atmosphere and bring it in a short time to the desired level.
            After Jean-Pierre’s revalidation of the wound he had received by jumping in the line of fire of the bullet that was intended for his girlfriend Katarina, he was resolved to take measures so that this would never happen again. He wanted to be able to protect Katarina, who was the woman of his life.
            That’s why he had procured him a gun and a firearms license. Without delay, he had joined a shooting club where he practiced a lot. Beside that he now was practicing karate at the local ‘Senshi’ Karate Club, where he was one of the most enthusiastic students. He knew he still had a lot to learn, but if there came a next time, they really would have to take him into account.
            This week, Jean-Pierre wouldn’t have much time to spend at the shooting range or with his favorite martial arts. Katarina had given him the task to prepare the work schedule during the party. The catering would be taken care for by a group of people who have done this before, so he shouldn’t worry about that. The girls and boys who would take care of the entertainment was his domain for sure.
            He knew there would be people with different kind of preferences in the place. Taking into account their various tastes, he was looking for the proper costumes for his group. Victorian clothing, dazzling ball dresses with a hoop skirt that would make King Louis XIV lick his lips, from knickerbockers to the nowadays SM-outfits in leather for both slave and master. Even the obligate girl school uniform and the Tiroler pants for the young men or the ponytails of Pipi Longstocking would be there as well. All the original clothing was adjusted so that everything looked sensual and erotic. They cut some fabric away at the right places. The girls and boys were pretty to see and, of course, in the context of the Chateau it could be shown.
            Katarina’s fortune allowed her, largely and without financial danger, to go to the edge of the decadence. Not that Katarina or even Jean-Pierre needed this, but the customers got a kick out of that. Their preparations would payback largely in the number of clientele they would enjoy having the next five years.
            Everyone had been briefed and talked to about the procedures of the party and who would be present and their preferences. Everything had to run smoothly, the future and success of Chateau Rouge depended on it. The rooms that were made ready for a secret pleasure during the feast and the servants had to look for that nobody was disturbed during their personal moment. The prices were proportional and the party would partially being repaid by them who wanted to taste the forbidden fruit out of first hand.
            Katarina had looked at the envelope she was holding in her hand several times and still didn’t know who this Marie-Anne Oldman was. Katarina had looked at the envelope she was holding in her hand several times and still didn’t know who this Marie-Anne Lechasse was.  His mail on the old one would still be sent to the castle for a while because Jean-Pierre needed the time to let anybody know about his new domicile.
    The envelope looked pink on the outside, and Katarina smelled a light perfume on it telling her the lady liked expensive fragrances.  She wasn’t a specialist, but the scent of Chanel N°5 was clearly recognizable. Inside, she felt a trace of jalousie rising. Not because she thought that Jean-Pierre was unfaithful or would be, but the fact she didn’t know the woman, enticed her more than all the tension of the preparation of the party.
            ‘Jean-Pierre, I got something for you,’ she smiled, when she bounced on him on the way to the Chambre Verte to change an accessory in that room. She gave him the envelope curiously smiling, waiting for his explanation.
            Distracted, he took the thing and read the read the name of the sender. He furrowed his brow and tore the envelope open. In a hurry, Katarina could just discern a stylish and female handwriting on the letter he quickly read through.
            ‘My God, that also!’ he shouted a bit startled.
            ‘What do you mean, Jean-Pierre? What has happened? Who’s that Marie-Anne Oldman?’ All her questions came out at once. Katarina saw by looking at Jean-Pierre’s face that what he had read was anything but pleasant.
            ‘Marie-Anne arrives here tomorrow. Oldman is the last name of her husband. My sisters' husband from America died and now she wants to consolidate the family ties again. She asks if I can fetch her at the airport.’
            ‘But that’s not a problem, Jean-Pierre. We still have a few spare rooms in the private part of the castle. Of course, she’s more than welcome.’
            Jean-Pierre didn’t look happy. ‘You don’t understand, Katarina. My sister and I, we can drink each other’s blood. Five years ago we parted after a violent dispute. I wonder what she’s up to now?’

© Rudi J.P. Lejaeghere
11/10/2015     
             


Chateau Rouge: Deel 2




















2. Voorbereidingen

            Er heerste een aangename drukte op het Chateau Rouge. Men had het kasteel voor een volledige week gesloten voor eventuele klanten. Het grote feest dat Beatrice, Katarina’s overleden moeder had gepland, zou uiteindelijk dan toch doorgaan.
            Er kwam heel wat bij te kijken. Een gespecialiseerde firma zorgde voor een extra schoonmaak van alle toegankelijke delen van het Chateau. Sommige kamers kregen een nieuw likje verf waar de kleur wat verweerd was. De meubels en andere accessoires die het kasteel zijn eigen charme gaf, werden opgepoetst tot men er zich in kon spiegelen. De ruimtes waarin het feest zou worden gegeven werden versierd met extra sluiers en nieuwe gordijnen, allemaal in het rood, het lievelingskleur van de nieuwe Barones.
            Katarina had nooit beseft dat dit een volledige dagtaak zou worden voor haar. Ze wilde persoonlijk iedereen aanschrijven of contacteren via de telefoon. Net zoals haar moeder zaliger hield ze het individueel contact met hun klanten. Daarnaast plaatste ze tientallen bestellingen bij haar favoriete leveranciers voor de wijdste keuze aan versnaperingen en een zee van champagne. Ze wist dat deze drank de remmen losmaakte en de sfeer in korte tijd op het gewenste niveau zou brengen.
            Na de Jean-Pierre’s revalidatie van de wonde die hij had opgelopen door zich in de vuurlijn te werpen van de kogel die voor zijn vriendin Katarina was bestemd, had hij zich voorgenomen om maatregelen te nemen dat dit nooit zover meer zou komen. Hij wilde de vrouw van zijn leven, Katarina, kunnen beschermen.
Daarom had hij zich een pistool en een wapenvergunning aangeschaft. Zonder verwijl had hij zich aangesloten bij een schietclub, waar hij de laatste tijd menig uur aan het oefenen was. Daarnaast volgde hij ook nog karate in de plaatselijke ‘Senshi’ Karate Club, waar hij een van de ijverigste studenten was. Hij wist dat hij nog veel zou moeten leren, maar als er een volgende keer kwam, zou men echt rekening met hem moeten houden.
Deze week zou Jean-Pierre echter niet veel tijd kunnen doorbrengen op de schietbaan of met zijn favoriete gevechtsport. Katarina had hem de taak gegeven om de werkverdeling tijdens het feest voor te bereiden. De catering zou verzorgd worden door een groep mensen die niet voor hun proefstuk stonden, daar moest hij zich in alle geval geen zorgen over te maken. De meisjes en de jongens die voor het vermaak moesten instaan, was wel zijn domein.
Hij wist dat er mensen met verschillende soorten smaak over de vloer zouden komen. Rekening houdend met hun diverse eisen of verzoeken, zocht hij de juiste kostuums voor zijn groep uit. Victoriaanse kostuums, schitterende baljurken met hoepelrokken waar Koning Lodewijk de XIV van zou likkebaarden, van pofbroeken tot zelfs hedendaagse lederen SM-outfits en de bijgaande attributen voor slaaf en meester. Zelfs het obligate schoolmeisjesuniform en het Tiroler broekje voor de jongemannen of de paardenstaarten van Pipi Langkous zouden van de partij zijn. Al de originele kleding werd wel in die zin aangepast dat alles er sensueel en erotisch uitzag. Er werd geknipt in de stoffen op de juiste plaatsen.  De meisjes en jongens waren mooi en natuurlijk mocht dat getoond worden in het kader van het Chateau.
Het fortuin van Katarina liet ruimschoots toe om zonder financieel gevaar tot aan de rand van het decadente te gaan. Niet dat Katarina of zelfs Jean-Pierre daar nood aan hadden, maar de klanten kregen er wel een echte kick van. Hun voorbereidingen zouden zich ruim terugbetalen in de klandizie die ze in de volgende vijf jaar tegemoet mochten zien.
Iedereen werd gebrieft en onderhouden over de procedures van het feest en wie er aanwezig zou zijn en hun voorkeuren. Alles moest op wieltjes lopen, de toekomst en voorspoed van Chateau Rouge hing er van af. De kamers werden klaargestoomd voor een eventueel vlug pleziertje tijdens het feest en de dienstmeisjes moesten zorgen dat niemand werd gestoord tijdens hun persoonlijk moment. De prijzen waren navenant en het feest zou deels terugbetaald worden door hen die het eerste wilden proeven van het verboden fruit.
Katarina had de enveloppe die ze in haar hand hield al verschillende malen bekeken en wist nog altijd niet wie deze Marie-Anne Oldman was. Hij was aan Jean-Pierre gericht en het vermelde reeds zijn nieuw adres. Zijn post op zijn oud adres werd nog een tijd doorgestuurd naar het kasteel omdat Jean-Pierre de tijd moest krijgen om iedereen over zijn nieuwe woonplaats in te lichten.
De enveloppe was rozig aan de buitenkant en toen ze er even aan rook, ontwaarde Katarina een licht parfum die haar vertelde dat de dame hield van dure geuren. Ze was nu wel geen specialist maar de geur van Chanel N° 5 was duidelijk te herkennen. Binnen in haar voelde ze een vleugje jaloezie in haar opwellen. Niet dat ze dacht dat Jean-Pierre ontrouw was of zou zijn, maar het feit dat ze niet wist wie deze vrouw was, prikkelde haar nieuwsgierigheid bijna meer dan alle spanning van de voorbereidingen van het feest.
‘Jean-Pierre, ik heb iets voor je,’ glimlachte ze, toen ze hem tegenkwam op weg naar de Chambre Verte om een accessoire in deze kamer te gaan vervangen. Ze gaf hem met een nieuwsgierige blik de enveloppe, wachtend op zijn uitleg.
Hij nam verstrooid het ding aan en las de naam van de afzender. Hij fronste verbaasd de wenkbrauwen en scheurde zonder veel commentaar de enveloppe open. Katarina kon in zijn haast nog juist een heel zwierig en vrouwelijk handschrift ontwaren op brief die hij vlug doorlas.
‘Mijn God, dat ook nog!’ riep hij wat geschrokken uit.
‘Wat bedoel je, Jean-Pierre? Wat is er gebeurd? Wie is die Marie-Anne Oldman?’ Al haar vragen kwamen er in serie uit. Katarina zag aan het gezicht van Jean-Pierre dat hij datgene wat hij gelezen had, alles behalve aangenaam vond.
‘Marie-Anne komt hier morgen aan. Oldman is de familienaam van haar man. Mijn zus uit Amerika, haar man is gestorven en ze wil de familiebanden terug aanhalen. Ze vraagt of ik haar kan afhalen van de luchthaven.’
‘Maar dat is toch geen probleem, Jean-Pierre. We hebben nog een paar kamers vrij in het privé gedeelte van het kasteel. Natuurlijk is ze is van harte welkom.’
Jean-Pierre zag er niet gelukkig uit. ‘Je begrijpt het niet, Katarina. Mijn zus en ik, kunnen elkaars bloed wel drinken. We zijn vijf jaar geleden in hooglopende ruzie uit elkaar gegaan. Ik vraag me af wat ze nu weer bekokstooft?’

© Rudi J.P. Lejaeghere
10/10/2015